Sopraan Claron McFadden zette één stap uit het vliegtuig en wist: 'Amsterdam is mijn thuis'
In dit artikel:
Claron McFadden, de Amerikaanse sopraan die sinds de jaren tachtig in Amsterdam woont, vertelt in dit interview over haar carrière, afkomst, artistieke keuzes en haar rol als docent. Ze kwam voor het eerst naar Nederland in 1982 met een beurs van de Rotary Foundation en voelde bij aankomst meteen dat ze “thuis” was; twee jaar later verhuisde ze definitief naar Amsterdam. Opgegroeid in een muzikaal gezin uit Rochester (ouders afkomstig uit South Carolina), werd haar muzikale ontwikkeling gevormd door gospel, funk en zingen op gehoor—ervaringen die haar latere voorkeur voor intuïtieve werkvormen (zoals improvisatie) beïnvloedden.
McFadden studeerde aan de Eastman School of Music en kreeg daar cruciale begeleiding van zangdocent John Maloy. Haar Nederlandse carrière begon bij het Sweelinck Conservatorium (barokstudies bij Max van Egmond), maar vroeg exposure aan moderne muziek — onder meer een uitvoering van Karel Goeyvaerts — trok de aandacht van prominente musici en opende deuren. Haar operadebuut kwam op het Holland Festival (1985); bij De Nationale Opera maakte ze indruk, onder meer als Zerbinetta in Ariadne auf Naxos. In plaats van de gangbare route naar vaste engagementen in Duitse operahuizen koos ze een meer grillige koers: barok- en moderne projecten in heel Europa, waarbij theatrale vrijheid en cross-genre samenwerking centraal stonden.
Belangrijke mentoren en samenwerkingen — zoals met Lucia Meeuwsen, Frans Brüggen en vooral Pierre Audi — gaven haar vertrouwen en ruimte om theatrale en eigenzinnige projecten te ontwikkelen. Na aanvangspercepties dat haar experimentele repertoire haar minder “klassiek” zou maken, kreeg McFadden later erkenning juist omdat ze bruggen slaat tussen stijlen en culturen. Dat besef formuleert ze scherp: “Ik weet nu: mijn gekke shit is belangrijk.” Jan Wolff van het Muziekgebouw moedigde haar aan eigen werken te maken; uiteindelijk ontstond een muziektheaterproject rond vrouwelijke identiteit, geconcentreerd in het Lilith-motief—een symbool van verzet tegen ondergeschiktheid.
Sinds 2011 is McFadden huisartiest in Antwerpen, waar artistiek directeur Guy Coolen haar de ruimte gaf om eigen muziektheater te produceren. Ze werkt vaak met collectieven; het concept is voor haar het fundament, maar het proces vereist soms strijd om integriteit en ideeën te bewaken. Als uitvoerend artiest noemt ze zichzelf een podiumbeest geweest dat moest leren doseren; acteerlessen hielpen haar theatricaliteit te kanaliseren.
Stemtechnisch erkent McFadden de onvermijdelijke veranderingen met de jaren: haar hoogste registers zijn niet meer zo vanzelfsprekend als vroeger, en ze vraagt zich af of het nastreven van een hoge D altijd nodig is. Een doorbraak in haar artistieke ontwikkeling kwam via improvisatie: aanvankelijk verlamd door angst, leerde ze door samenwerken met vrije improvisatoren te luisteren en intuïtief te reageren. Die werkwijze gebruikt ze nu ook in haar onderwijs: in masterclasses laat ze zangers improviseren, waardoor individuen veranderen in een coherent, dynamisch collectief—een resultaat dat zij beschouwt als haar belangrijkste nalatenschap: verbinding zoeken.
Zaterdag geeft McFadden een workshop improvisatie tijdens het Masterclass Festival Amsterdam; de derde editie van dat festival vindt plaats op 18 april in Tolhuistuin, met uiteenlopende gasten zoals Conny Janssen, David Mitchell en Kwamé Ba.