Sociaal-wetenschapper Paola Verhaert: 'Op dit moment kunnen alleen heel rijke mannen in Silicon Valley meepraten over technologie'

woensdag, 21 januari 2026 (13:00) - De Groene Amsterdammer

In dit artikel:

Sociaal-wetenschapper Paola Verhaert, verbonden aan het Hannah Arendt Instituut en de Nederlands-Vlaamse stichting deBuren, waarschuwt in haar boek Technologie is politiek (eind 2025) dat de maatschappelijke effecten van digitale technologieën te weinig democratisch worden besproken. Ze illustreert dat concreet met een fictieve sociaal werker, Mona: door nieuwe systemen moeten hulpverleners cliëntgegevens loggen en hun werk laten mediëren door schermen en software. In plaats van tijd te besparen verstoren die systemen juist het persoonlijke contact en verzwakken ze het vermogen om subtiele signalen bij cliënten op te merken.

Verhaert gebruikt bewust een herkenbare casus om te laten zien dat technologische beslissingen niet neutraal zijn. Ze keert zich tegen gangbare metaforen zoals de sneltrein naar de toekomst — een beeld dat innovatie reduceert tot een race met winnaars en verliezers — en stelt het huis voor als alternatief: technologie omringt ons allemaal en daarom moet iedereen meepraten over hoe dat huis wordt ingericht. Dit pleidooi voor brede participatie is niet louter normatief; Verhaert wijst op het strategische belang van professionals zoals sociaal werkers: zij hebben vaak het sociale en culturele kapitaal om namens kwetsbaren kritische vragen te stellen en alternatieven te bepleiten.

Een belangrijk verklaringsmodel in haar werk is het begrip institutionalisering: technologie is aanvankelijk vrijblijvend, maar zodra overheden of organisaties het breed invoeren wordt kiezen onmogelijk en ontstaat er weerstand. Dat verklaart volgens haar deels de recente tegenreactie op grootschalige AI-toepassingen. De snelle inbedding van zulke systemen op werkvloeren en in publieke diensten maakt het moeilijk om er buiten te blijven, ook voor mensen die er geen gebruik van willen of kunnen maken.

Verhaert koppelt technologische kwesties aan sociale rechtvaardigheid: ze verwijst naar Nancy Fraser en benadrukt dat gelijkwaardige participatie nodig is om digitale rechtvaardigheid te bereiken. Technologie raakt niet alleen privacy; het beïnvloedt arbeidsrechten, economische ongelijkheid en zelfs het klimaat. Daarom moet de waarde van technologie ook in niet-monetaire termen worden afgewogen.

Op geopolitiek vlak traceert ze de concentratie van macht in de VS terug naar beleidskeuzes uit de jaren negentig, toen internet grotendeels in private handen werd gelegd. De Europese Unie heeft aanvankelijk een ander pad gekozen met respect voor fundamentele rechten, maar Verhaert signaleert dat dat morele overwicht — het zogenaamde “Brussels Effect” — aan kracht verliest. Met voorstellen als een “digital omnibus” lijkt de Commissie regels te willen versoepelen, wat volgens haar ten koste kan gaan van mensenrechtenbescherming. Ze waarschuwt ook tegen de verleiding om in een AI-race met andere grootmachten te stappen; de kosten daarvoor staan haaks op investeringen in zorg, onderwijs en sociaal beleid.

Tegelijk ziet Verhaert ruimte voor alternatieven: een pluriforme benadering van AI en technologische ontwikkeling die niet gebaseerd is op hyperscale-monocultuur van Silicon Valley. Ze pleit voor politieke verbeelding, lokale betrokkenheid van middenveldorganisaties en brede coalities — zoals het People’s AI Action Plan — om technologie zo te ontwerpen dat die dienstbaar is aan maatschappij en niet alleen aan winst. In haar boek biedt ze behalve analyse ook een leeslijst en verwijzingen naar digitale-rechtenorganisaties waarmee burgers en professionals concreet kunnen meedoen.