Slim onderzoek van oncoloog bespaart honderden miljoenen, maar de politiek twijfelt
In dit artikel:
Oncoloog Gabe Sonke (Antoni van Leeuwenhoek) waarschuwt dat veel kankerpatiënten wereldwijd langdurig dure middelen voorgeschreven krijgen waarvan de meerwaarde onzeker is, terwijl ze wel serieuze bijwerkingen hebben. Tijdens de ASCO-conferentie in Chicago (31 mei) presenteerde hij onderzoek waaruit blijkt dat drie veelgebruikte, prijzige middelen bij uitgezaaide borstkanker evenveel levenswinst geven wanneer ze pas na ongeveer twee jaar worden gestart als wanneer patiënten ze meteen bij diagnose krijgen. Meteen beginnen levert dus geen extra levensduur op, wel extra toxiciteit en hoge kosten (ongeveer €3.000 per patiënt per maand). In Nederland leidde toepassing van Sonkes bevindingen tot terugdringing van de uitgaven voor deze middelen van ruim €130 miljoen naar ongeveer €50 miljoen; wereldwijd zouden de besparingen in de miljarden lopen. Toch veranderden internationale richtlijnen de afgelopen drie jaar niet en stegen de omzetten in twee van de drie gevallen; beurskoersen bleven ongestoord.
Sonke ziet een diepere oorzaak dan alleen lobby van de industrie: een medische reflex om liever te behandelen dan een behandeling te onthouden. “De angst om een patiënt een medicijn te onthouden is vrijwel altijd groter dan de angst om een patiënt onnodig te behandelen,” zegt hij. Die houding, gecombineerd met de manier waarop farmaceutische studies zijn ontworpen, veroorzaakt volgens hem overbehandeling. Bedrijfsstudies streven naar snelle markttoelating door activiteit tegen bijwerkingen aan te tonen (vaak via tussentijdse uitkomsten zoals uitstel van tumorgroei), met hoge doseringen en relatief fitte proefpersonen. Daardoor blijven cruciale vragen onbeantwoord: of een middel echt langere overleving geeft, bij wie het het beste werkt, welke dosering of behandelduur optimaal is.
Zijn oplossing is dat nieuwe kankergeneesmiddelen vanaf marktintroductie direct onderworpen worden aan doelmatigheidsonderzoek: grote, pragmatische studies waarin de standaardfirma-regimes worden vergeleken met ‘slimmere’ strategieën bedacht door artsen en patiënten (bijvoorbeeld lagere dosering of kortere kuren). Fabrikanten zouden hieraan moeten meewerken als voorwaarde voor vergoeding vanuit de basisverzekering; de overheid en zorgverzekeraars moeten de uitvoering (mede)financieren. Sonke wijst erop dat zijn eerdere studie zonder farmaceutische sponsoring kon plaatsvinden dankzij eenmalige overheidsgelden en bijdragen van zorgverzekeraars, en dat de investering zichzelf terugbetaalde: €7 miljoen onderzoek leverde miljoenen aan besparingen op.
Breder kader: oncologie bepaalt grofweg 40% van het geneesmiddelenonderzoek en levert jaarlijks veel nieuwe, dure middelen op. Volgens Sonke verlengt ongeveer de helft van die middelen aantoonbaar leven — vaak slechts maanden — en verbetert zelden aantoonbaar de kwaliteit van leven. In Nederland stegen de uitgaven aan kankermedicijnen tussen 2017 en 2022 van circa €800 miljoen naar ruim €1,5 miljard, terwijl de overlevingswinst relatief klein bleef. Op 10 juni debatteert de Tweede Kamer over een toekomstbestendig geneesmiddelenstelsel; Sonke hoopt dat minister Sophie Hermans in deze kabinetsperiode voorwaardelijke vergoeding koppelt aan verplicht aanvullend onderzoek en structurele financiering. Zijn stelling: door een deel van de besparingen te reserveren voor dergelijke studies kun je zorg verbeteren en kosten beteugelen — een investering die zichzelf terugbetaalt.