Slangen en Ladders: de Tragische Queeste van Jason Arday (deel 3)

zondag, 30 augustus 2026 (06:44) - Nijmans Nieuwsbriefje

In dit artikel:

De auteur beschrijft Jason Arday niet in de eerste plaats als een collega of onderwijskundige, maar als een soort sjamaan: iemand die mensen diep weet te raken, hun verlangens herkent en hun een verhaal van duisternis, transformatie en verlichting aanbiedt. Arday’s biografie wordt voorgesteld als een wonderverhaal waarin hij steeds grenzen overschrijdt: van niet-sprekend naar sprekend, van analfabeet naar hoogleraar en van buitengesloten naar erkend. Volgens de auteur verklaart juist die mystieke heldenreis waarom Arday zoveel bewondering opriep, ook bij mensen die hem persoonlijk nauwelijks kenden.

Arday zou bovendien van nature beschikken over vaardigheden die geestelijken en hulpverleners aanleren: aandachtig luisteren, aanwezig zijn, spiegelen en anderen het gevoel geven dat ze gezien en begrepen worden. Zulke technieken kunnen oprecht en behulpzaam zijn, maar maken iemand ook overtuigend. De auteur vergelijkt Arday met de spirituele leraar Gurdjieff, die eveneens een spectaculair levensverhaal vertelde dat niet betrouwbaar hoeft te zijn geweest, maar wel grote en blijvende effecten op zijn volgelingen had. In deze visie is een sjamaan niet simpelweg een leugenaar; hij creëert een betekenisvolle ervaring waarin mensen zichzelf herkennen en nieuwe energie vinden. Dat kan waardevol zijn, maar ook gevaarlijk en ongrijpbaar.

Volgens de auteur is het onderwijs bijzonder ontvankelijk voor dit soort mythologisch en semireligieus denken. Leraren worden vaak gezien als mensen met een roeping, en kennisoverdracht wordt voorgesteld als iets verhevens dat boven een gewoon beroep uitstijgt. De rituelen en kleding van universiteiten, promoties en academische titels versterken dat beeld. Wie als professor spreekt, krijgt daardoor soms niet alleen gezag vanwege kennis, maar ook vanwege een bijna religieuze status. Kritiek op zo’n figuur kan dan worden ervaren als ketterij of heiligschennis.

Die symbolische lading heeft volgens de auteur ook een donkere kant. Mensen kunnen de status en het gezag van academische titels willen bezitten zonder het werk te hebben gedaan dat daarvoor nodig is. Zo zouden plagiaat, bronfraude en manipulatief taalgebruik niet alleen voortkomen uit geld- of publicatiedruk, maar ook uit de angst om ontmaskerd te worden als een gewoon mens zonder de prestigieuze titel. De behoefte om de academische identiteit te beschermen kan leiden tot intimidatie van critici en het onder het tapijt schuiven van misstanden.

De auteur benadrukt dat het mythologische element van onderwijs niet volledig moet verdwijnen. Een universiteit mag betekenis, traditie en rituelen hebben, zolang die niet het kritische denken verdringen. De klassieke academische houding van *nil admirari* — je niet meteen laten imponeren, maar vragen om bewijs — zou daarom centraal moeten blijven staan. In exacte wetenschappen zijn beweringen vaak gemakkelijker controleerbaar; in sociale wetenschappen en het onderwijs lopen feitelijke beschrijvingen en normatieve ideeën sneller door elkaar. Dat maakt deze domeinen extra vatbaar voor overtuigende verhalen en morele absolutismen.

Een belangrijke mythe in het onderwijs is die van de messiaanse Lichtbrenger: de leraar die leerlingen uit de duisternis leidt, achtergestelde groepen redt en een nieuwe toekomst brengt. De auteur ziet ook Arday als iemand die in die rol terechtkwam. Het gevaar is dat het zelfbeeld van de redder belangrijker wordt dan het daadwerkelijke werk. Onderwijs zou volgens de auteur in de eerste plaats concreet moeten zijn: leerlingen weten aan het einde van een les meer of kunnen iets beter dan daarvoor. Een moment waarop bij een leerling “een lampje aangaat” is waardevol, maar vormt slechts het begin van verdere inspanning, niet het bewijs van een grootse maatschappelijke verlossingsmissie.

Wanneer onderwijsprofessionals zichzelf als Lichtbrengers gaan zien, kunnen kritiek en praktische bezwaren worden afgedaan als aanvallen door een duistere macht, bijvoorbeeld racisme, agressie of intimidatie. De auteur noemt dit een vorm van ‘spiritual bypassing’: wel aanspraak maken op verlichting, vergeving of applaus, maar moeilijke persoonlijke en inhoudelijke veranderingen vermijden. Dan worden macht en erkenning verlangd zonder de inspanning die erbij hoort.

De auteur waarschuwt dat een allesoverheersende mythe een gemeenschap kan verstarren. Hermetische taal, steeds meer taboes, obsessies met zuiverheid en vijandbeelden maken cultuur volgens hem angstig en gesloten. Kritische vragen worden behandeld als ketterij, terwijl het bestraffen van afwijkende stemmen de indruk moet wekken dat er nog leven en overtuiging in de gemeenschap zit. In werkelijkheid stopt vernieuwing en draait alles in een neerwaartse cirkel.

In die context plaatst de auteur de ontdekking van Arday als “sjamaan-onderwijskundige”, evenals de dreigementen en represailles tegen mensen die zijn vermeende bedrog blootlegden. De centrale openstaande vragen zijn hoe iemand die volgens de auteur evident ongeschikt was voor academisch werk toch zo’n snelle carrière kon maken, en waarom juist Groot-Brittannië, Glasgow en Cambridge daarin een hoofdrol speelden. De auteur kondigt aan deze vragen in het volgende en laatste deel van de serie te behandelen.

BEKIJK OOK:

Vandaag Inside: Johan Derksen staat plotseling op tijdens het vertellen van anekdote: 'Toen was alles weg!'