Slangen en Ladders: de Tragische Queeste van Jason Arday (4, slot)

zondag, 6 september 2026 (06:44) - Nijmans Nieuwsbriefje

In dit artikel:

In het voorjaar van 2005 volgt de auteur, filosoof en eerstegraadsleraar, een deeltijdopleiding Engels. Daar krijgt hij onderwijs op basis van de theorie van de meervoudige intelligenties van Howard Gardner. Volgens de opleiding corresponderen verschillende intelligenties met verschillende leerstijlen. Tijdens een les moeten studenten werkwoorden uitbeelden, omdat beweging zogenaamd helpt bij het leren. De auteur weigert een werkwoord te dansen en beschouwt de oefening als vernederende onzin.

Zijn kritiek richt zich niet alleen op deze anekdote, maar op een bredere cultuur binnen de lerarenopleiding. Traditioneel lesgeven wordt er verdacht gemaakt als “frontaal” onderwijs, terwijl leerlingen geacht worden hun kennis zelf te construeren. Begrippen als “sociaal construct” zouden volgens de auteur worden gebruikt alsof kennis en werkelijkheid naar believen herschapen kunnen worden. Studenten werken meestal morrend mee, hoewel volgens hem vrijwel iedereen weet dat de oefeningen en theorieën weinig met goed taalonderwijs te maken hebben. Hij verlaat de opleiding uiteindelijk wanneer hij een promotieplaats krijgt.

Jaren later vraagt hij zich af waarom dergelijke pseudowetenschap en anti-intellectualisme juist in het onderwijs zo gemakkelijk ingang vinden. Zijn antwoord is dat “bullshit”, of in zijn uitgebreidere analyse “magie”, een psychologische en sociale functie vervult. Magisch denken zou mensen bevrijden van de verantwoordelijkheid om de werkelijkheid gezamenlijk te begrijpen, onzekerheid te verdragen en daadwerkelijk kennis en vaardigheden op te bouwen.

De auteur verbindt dit verlangen aan een oudere afkeer van de complexiteit van de beschaving. Hij verwijst naar Rousseau en Freud om te betogen dat het moderne leven mensen dwingt zichzelf te beheersen, met uiteenlopende anderen samen te leven en onzekerheid te verdragen. Dat is frustrerend. Mensen verlangen daarom naar eenvoudige antwoorden, een zuivere groep en een manier om aan persoonlijke verantwoordelijkheid te ontsnappen. Volgens de auteur zijn antiwesterse en “woke” bewegingen in die zin geen nieuw verschijnsel, maar terugkerende anti-beschavingsreacties die juist in hoogontwikkelde samenlevingen kunnen ontstaan.

Onderwijs vormt volgens hem een bijzonder vruchtbare voedingsbodem. Denken is moeilijk en anderen leren denken nog moeilijker. Bovendien is niet altijd direct duidelijk welke aanpak werkt, terwijl effectieve methoden vaak discipline, inspanning en langdurige oefening vereisen. Leraren kunnen niet elke leerling redden en krijgen zelden de heldenstatus waarop zij misschien hopen. Pseudowetenschappelijke theorieën bieden dan een aantrekkelijk alternatief: ze maken intelligentie minder belangrijk, voegen nieuwe soorten intelligentie toe en suggereren dat een creatieve oefening een ingewikkeld didactisch probleem kan oplossen.

De auteur waarschuwt dat zulke ideeën zich kunnen uitbreiden. Rituele termen en ideologisch jargon krijgen dan de kracht van toverwoorden: wie de juiste woorden gebruikt, zou de werkelijkheid veranderen. In zijn interpretatie geldt dat ook voor de nadruk binnen woke bewegingen op voorgeschreven taal en categorieën. Hij stelt dat deze bewegingen mensen de mogelijkheid bieden macht en agressie te ervaren zonder de bijbehorende verantwoordelijkheid, en groepsverbondenheid zonder een traditionele stam. De ander wordt daarbij volgens hem niet werkelijk bestudeerd, maar vooral gebruikt als symbool om de eigen morele positie centraal te stellen.

Als beeld voor dit proces gebruikt hij De Meester van de Zwarte Molen van Otfried Preußler. In dat kinderboek worden wees- en bedelkinderen door een molenaar ingewijd in zwarte magie. De leerlingen worden vernederd en uitgebuit, maar krijgen daarvoor in ruil status, geheime kennis en het gevoel uitverkoren te zijn. De auteur vergelijkt dit met academische en ideologische milieus waarin deelnemers uitspraken moeten onderschrijven die zij zelf niet geloven, bijvoorbeeld over “inheemse kennis” of sjamanen die zouden kunnen vliegen. Volgens hem weet ook de professor in kwestie dat zulke beweringen letterlijk niet kloppen, maar heeft het ritueel wel een functie: het ontslaat deelnemers van intellectuele verantwoordelijkheid en bindt hen aan de groep.

Vernedering versterkt die binding. Wie publiekelijk aan een absurde oefening meedoet of een onredelijke overtuiging verkondigt, toont dat hij bereid is offers te brengen voor de gemeenschap. De pijn en schaamte maken deelnemers medeplichtig aan het systeem en geven managers bovendien informatie over hun gehoorzaamheid. Zo raken zowel studenten als docenten volgens de auteur gevangen in een netwerk van rituelen en conformisme.

De metafoor heeft echter een prijs. De magische wereld lijkt bescherming, macht en zekerheid te bieden, maar maakt volgens de auteur echte kwetsbaarheid, liefde, openheid en kennis onmogelijk. In de werkelijkheid moet iemand jarenlang oefenen om een vak te leren, samenwerken, teleurstellingen verdragen en rekening houden met anderen. Geen enkel toverwoord kan die verplichtingen opheffen. Wie de werkelijkheid probeert te ontkennen, loopt uiteindelijk juist vast in machteloosheid.

Aan het slot verbindt de auteur deze analyse opnieuw aan instellingen als Cambridge en Gent, die hij als “Zwarte Molens” typeert. Hij voorspelt dat dergelijke systemen uiteindelijk kunnen instorten, ondanks pogingen van academici en journalisten om ze te verdedigen. Zijn hoop is dat studenten daarna opnieuw leren zelfstandig te denken en anderen dat te leren. Dat werk is volgens hem moeilijk, onzeker en weinig spectaculair, maar wel werkelijk en verantwoordelijk. De oproep aan de “toverleerlingen” luidt daarom: verlaat de uitgebrande molen, beoefen een echt vak en draag bij aan de gedeelde wereld.

BEKIJK OOK:

Vandaag Inside: Chris Woerts overtuigd: 'Uitgesloten dat de VVD een breed coalitieakkoord gaat sluiten met PRO'