Siri Hustvedt praat in 'Ghost Stories' gewoon door met haar overleden man: Paul Auster
In dit artikel:
Op 27 april 2024, drie dagen vóór zijn overlijden, vertelde Paul Auster aan zijn vrouw Siri Hustvedt dat hij ‘als een spook’ wilde terugkeren. Auster was eerder gediagnosticeerd met longkanker en in april bleek de ziekte ongeneeslijk; hij stierf kort daarna in de zonovergoten bibliotheek van hun huis in Brooklyn. In Ghost Stories werkt Hustvedt — met wie hij 43 jaar samen was — die laatste periode en het leven ná zijn dood uit: een memoire waarin persoonlijke herinnering, intellectuele reflectie en vakliteratuur over rouw samenkomen.
Hustvedt beschrijft hoe de wereld na Austers overlijden versplintert: tijd en ruimte verliezen hun vertrouwde vorm, alledaagse zaken en het huis voelen deels werkelijk en deels geconstrueerd door het geheugen. Ze ervaart verschijningen en zintuiglijke signalen — onder meer het plotseling ruiken van tabak — en besluit die ervaringen niet eenvoudigweg als illusies weg te schuiven. In plaats daarvan leest ze zich door neurologie, psychiatrie, filosofie en literatuur om te begrijpen wat rouw met het brein en het leven doet. Het boek combineert analytische essays met dagboekfragmenten, brieven en e-mails, en bevat ook Austers laatste brieven aan zijn kleinzoon Miles, die nog maar enkele maanden oud was toen zijn grootvader stierf.
Ghost Stories is niet alleen een verslag van verlies maar ook een reconstructie van een gezamenlijk bestaan: Hustvedt blikt terug op hun ontmoeting in New York (zij 26, hij 34), de vroege liefdesbrieven, het huwelijk op 16 juni 1981 — Bloomsday — en de voortdurende, intellectueel geladen conversaties die hun relatie droegen. Ze onderzoekt hoe die verhalende, dialogische band niet alleen hun privéleven vormde maar ook elkaars werk beïnvloedde. Tegelijkertijd gaat ze openlijk om met de publieke dimensie van het rouwproces: het nieuws over Austers dood circuleerde voordat zij het zelf kon brengen, en zij voelt zich vaak gereduceerd tot ‘de vrouw van’. Haar memoires zijn mede bedoeld als waardig, doordacht tegenwicht tegen sensatiezucht.
Stilistisch en inhoudelijk balanceert Hustvedt tussen eruditie en emotie. Ze laat zien dat helder denken en verdriet naast elkaar kunnen bestaan; rouw wordt door haar benaderd als een probleem dat meerdere toegangen behoeft. Ze wijst ook op de beperkingen van westerse ideeën — bijvoorbeeld het scherpe onderscheid tussen lichaam en geest — bij het verwerken van verlies. Uiteindelijk leest het boek als een voortzetting van een gesprek dat met Austers dood niet ophield: door te schrijven haalt Hustvedt een stukje van hun gedeelde tijd en stem terug tussen de pagina’s.
Voor lezers biedt Ghost Stories zowel een intellectuele verkenning van rouw als een intieme getuigenis van liefde en verlies — een poging om, via taal en onderzoek, grip te krijgen op het ’ons’ dat niet meer is.