Sefa heeft ons gebed nodig
In dit artikel:
Een zangavond met Sefa in de Utrechtse Jaarbeurs maakte indruk op de auteur. Sefa benadrukte in zijn getuigenissen dat hij niet zichzelf, maar God de eer wilde geven. Toch volgde daarop een enthousiast applaus vanuit een groot deel van het reformatorische publiek. Hoewel de auteur is opgegroeid met het idee dat applaus menselijke eer benadrukt, zag hij het deze keer vooral als een blijk van instemming met de gezongen boodschap en de ervaren oprechtheid van Sefa.
De avond riep ook vragen op over de verhouding tussen muzikale kwaliteit en geestelijke inhoud. De zangeressen brachten de liederen technisch en dramatisch sterk, maar zouden zelf geen persoonlijke affiniteit met het geloof hebben. Dat roept volgens de auteur de vraag op wat het betekent wanneer iemand liederen over Gods genade overtuigend uitvoert, zonder zelf door die boodschap geraakt te zijn. Hij verwijst daarbij ook naar uitvoeringen van de Matthäus Passion, waarbij deskundige musici niet noodzakelijk persoonlijk verbonden zijn met de geestelijke betekenis van het werk.
Die vraag geldt volgens hem niet alleen voor professionele uitvoerenden. Ook gelovigen kunnen zingen over genade zonder dat hun leven daarmee overeenstemt. Daarom raakte het hem dat Sefa tijdens het zingen van “Amazing Grace” zichtbaar werd bewogen. De auteur hoopt dat de boodschap van Gods genade mensen werkelijk tot geloof, bekering en verdieping brengt.
Daarnaast signaleert hij een ontwikkeling naar grootsere presentaties met licht, beeld en geluid. Zulke middelen zijn niet verkeerd, maar moeten volgens hem de aandacht op God en Zijn Woord richten en niet op de vorm zelf. Omdat artiesten die veel aandacht krijgen soms later hun geloof weer verlaten, pleit hij voor voorzichtigheid en gebed voor Sefa. Hij roept lezers op zichzelf te onderzoeken, niet vrijblijvend te applaudisseren en vooral te bidden dat de avond uiteindelijk strekt tot Gods eer: “Soli Deo gloria.”
Vandaag Inside: Johan Derksen na bruiloft Olcay: ‘Voor eeuwig ongeloofwaardig als voorvechter tegen huiselijk geweld’