Schrijver Maarten Asscher: 'De confrontatie met de dood werpt een schel licht op dingen'
In dit artikel:
Maarten Asscher (68), voormalig directeur van uitgeverij Meulenhoff en van de Athenaeum Boekhandel die sinds 2017 fulltime schrijver is, is recent verhuisd van zijn schrijfverblijf in Drenthe naar een studio in een veertiende-eeuws kasteel in Nederhorst den Berg. De korte rit vanuit Amsterdam naar Drenthe vond hij zwaar en het afgelegen, koude milieu werkte niet; de nieuwe lichte, warme ruimte voelt voor hem als een frisse start. Hij wil er niet alleen schrijven, maar ook vrienden ontvangen en bijeenkomsten voor schrijvers organiseren.
Achter de verhuizing ligt een zware medische episode. Asscher kreeg in 2014 blaaskanker, die toen werd behandeld, maar bij een controle later keerde de ziekte terug. Tijdens immuuntherapie ontwikkelde hij een zeldzame en ernstige bijwerking: zijn immuunsysteem viel zijn eigen spiersysteem aan, met tijdelijke verlamming van het onderlichaam en schade aan de hartspier. Op 15 februari vorig jaar verkeerde hij op het randje van overlijden. Kort daarna dicteerde hij op zijn telefoon ervaringen uit die periode; deze aantekeningen en latere overdenkingen vormen de kern van zijn nieuwe boek Elke dag. Over de drie stadia van sterfelijkheid, dat deze week verschijnt.
Het boek zit tussen autobiografie en essay in. Asscher eert mensen die hem veel betekenden (onder anderen uitgever Johan Polak en schrijver Frans Kellendonk), verwerkt persoonlijke familiegeschiedenis — ook de minder flatteuze kanten daarvan — en verweeft citaten en vertalingen uit de wereldliteratuur en filosofie. Hij haalt gedichten en schrijvers aan, van Horatius en Philip Larkin tot Elias Canetti, en gebruikt literaire reflecties om de ervaring van ziek zijn en sterven te duiden. De titel refereert onder meer aan een oud-Perzisch verhaal over het dagelijks kunnen sterven en aan poëtische ideeën over de dag als ruimte om te leven.
Literatuur was voor Asscher niet louter troost; het was soms letterlijk ademruimte tijdens nachten in het ziekenhuis: het citeren van poëzie gaf hem kracht en houvast. Tegelijk blijft hij voorzichtig over bepaalde feiten: een arts rekende zijn overlevingskans ooit in procenten uit, maar Asscher verzoekt daar terughoudendheid over — hij wil dat cijfer niet als een talisman of last weten. Fysiek is hij nog niet hersteld; hij heeft huidwondjes door vatontstekingen die mogelijk verband houden met behandeling en blijft onder medische controle.
De confrontatie met de dood heeft zijn houding veranderd. Waar hij eerder geneigd was dingen te verzachten of te regisseren, kiest hij nu voor openheid en kritisch zelfonderzoek; hij erkent fouten en spreekt helderder over ongemakkelijke familieaspecten. Ook zegt hij geduldiger, aardiger en meer aandachtig te zijn geworden richting anderen. De steun van zijn vrouw, dochters en vrienden noemt hij doorslaggevend; het besef van wederzijdse afhankelijkheid weegt zwaar in hoe hij nu wil leven en werken.
Asscher benadrukt dat het boek geen navertelling van ziekenhuisscènes wil zijn, maar een poging om te schrijven over het leven zelf — over leren sterven als een manier om beter te leven. Zijn nieuwe schrijfruimte moet daarbij een sociale plek worden, een plek van wederzijds contact en literaire uitwisseling, na een periode waarin schrijven eerder een plicht en een geïsoleerde bezigheid was.