Schokkende moord op Zweedse premier is na veertig jaar nog steeds onopgelost
In dit artikel:
Op de avond van 28 februari 1986 werd de Zweedse premier Olof Palme op straat in Stockholm neergeschoten; hij overleed ter plekke. Palme (59), de charismatische leider van de sociaaldemocratische partij en een prominente verdediger van de Zweedse verzorgingsstaat en kritische stem in internationale kwesties, liep na een bioscoopbezoek met zijn vrouw Lisbeth over de drukke Sveavägen toen om 23.21 uur een schutter van achteren twee keer schoot. Een kogel trof Palme in de rug; Lisbeth liep een lichte verwonding op. De dader vluchtte weg en verdween in een zijstraat.
De moord heeft decennialang de Zweedse samenleving en politie beziggehouden. Tienduizenden getuigenverklaringen werden verzameld, meer dan 130 mensen meldden zich als mogelijke dader en talloze theorieën deden de ronde: van extreemrechtse en extreemlinkse groeperingen tot buitenlandse diensten zoals de CIA, KGB of Mossad, en zelfs de Zuid-Afrikaanse apartheidstaat. Journalisten en onderzoekers — onder wie Stieg Larsson — wachtten of pleitten met uiteenlopende aanwijzingen; in 2020 ging een Zweedse onderzoeksdelegatie nog naar Zuid-Afrika om informatie te zoeken.
Het onderzoek kampte vanaf het begin met fouten. De plaats van de aanslag werd slecht afgesloten, waardoor omstanders mogelijk bewijsmateriaal verstoorden. Meer dan een dozijn ooggetuigen zagen de dader, maar hun beschrijvingen waren inconsistent en leidend tot verwarring. Op basis van geruchten en aanwijzingen uit het criminele circuit werd de beroepscrimineel Christer Pettersson gearresteerd; Lisbeth Palme wees hem in een politielijn-up aan. Pettersson werd in 1989 veroordeeld, maar een jaar later vrijgesproken in hoger beroep wegens gebrek aan overtuigend bewijs.
Andere verdachten zorgden voor extra verwarring en complottheorieën. Victor Gunnarsson, een politiek activist, werd kort vastgehouden en later naar de VS vertrokken; hij werd in 1993 dood aangetroffen — een zaak die weer nieuwe speculaties aanwakkerde. In 2000 pleegde een eerder getuige, grafisch ontwerper Stig Engström, zelfmoord. In 2020 verklaarde het Zweedse openbaar ministerie (OM) dat Engström de waarschijnlijke dader was en sloot het onderzoek, omdat er onvoldoende bewijs was voor een strafrechtelijke vervolging en de vermeende dader al overleden was.
Die beslissing leidde tot felle kritiek: vrienden en familie van Engström ontkenden een gewelddadig karakter, en juridische experts vonden dat het OM vooral op samengevoegde indirecte aanwijzingen had gebouwd. In december vorig jaar trok de toenmalige hoofdofficier die conclusie weer in: de herbeoordeling bood geen basis om Engström als dader aan te wijzen of het dossier te heropenen. Daarmee blijft de zaak formeel gesloten — maar onopgelost.
Veertig jaar na de moord geldt Palmés dood nog steeds als een diep litteken in Zweden, vaak vergeleken met de moorden op John F. Kennedy en Pim Fortuyn: een moment waarop een land op brute wijze iets van zijn onschuld verloor en waar de samenleving nooit volledig overheen is gekomen.