Schaamteloze klimaatpropaganda van de WHO en The Lancet
In dit artikel:
De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) heeft recent opnieuw klimaatverandering als een dringende bedreiging voor de volksgezondheid neergezet. Een door de WHO ingestelde commissie — met onder anderen oud-minister Ernst Kuipers — pleit ervoor klimaatverandering in Europa als een internationale gezondheidsnoodsituatie te behandelen. Ook WHO-directeur Tedros heeft klimaat als gezondheidscrisis bestempeld en de organisatie onderhoudt al sinds 2023 informatiepagina’s die extreem weer en bijbehorende humanitaire noodsituaties benadrukken.
De auteur betwist die alarmistische framing. Hij wijst op gegevens van milieueconoom Bjørn Lomborg waaruit blijkt dat sterfte door extreem weer (orkanen, overstromingen, droogte) sinds circa 1920 met meer dan 97% is afgenomen, ondanks een wereldbevolking die van 2 naar 8 miljard steeg. Deze daling wordt toegeschreven aan toegenomen welvaart, betere infrastructuur, vroegtijdige waarschuwingen, irrigatie, airconditioning en rampenmanagement — kortom: adaptatie werkt en vermindert risico’s sterk. In relatieve termen zou het risico om te sterven door extreem weer met ongeveer 99,4% zijn gedaald; verkeersterfte blijft veel vaker voorkomen dan sterfte door natuurgeweld.
De WHO legt volgens de schrijver vooral de nadruk op hittesterfte, mede onderbouwd met een recente, breed ondertekende studie in The Lancet waarin een toename van hittedoden wordt gesignaleerd. Lomborg en andere critici stellen echter dat die stijging grotendeels verklaard kan worden door demografische veranderingen — vooral een ouder wordende bevolking die kwetsbaarder is voor hitte — en dat de studie selectief bewijs presenteert. Belangrijker nog, veel onderzoek (onder meer een Lancet-paper uit 2021) laat zien dat wereldwijd veruit meer mensen overlijden aan niet-optimale koude dan aan hitte: van ongeveer 5 miljoen temperatuurgerelateerde sterfgevallen per jaar zijn circa 4,6 miljoen gerelateerd aan koude. Regionale verschillen zijn groot: in Europa en Latijns-Amerika is de verhouding koude:hitte ongeveer 4:1, in Afrika zelfs circa 46:1. Dit wijst volgens de auteur vooral op armoede als onderliggende factor — wie meer middelen heeft, kan zich beter beschermen tegen zowel kou als hitte.
De tekst benadrukt dat dit soort cijfers epidemiologische schattingen zijn (er staat zelden letterlijk ‘hittedood’ of ‘koudedood’ op een overlijdensakte) en dat een opwarmende wereld theoretisch zowel meer hittedoden als veel minder koudedoden kan opleveren. De WHO zou volgens de schrijver belangrijke nuance — zoals het huidige overgewicht van koudedoden en het grote effect van welvaart en adaptatie — weglaten.
Tot slot wordt gesuggereerd dat het klimaatfocussen van de WHO ook politieke dimensies heeft: sommige onderzoekers (onder wie Jacob Nordangård) zien in programma’s als One Health een integratie van gezondheid, klimaat, dieren en ecosystemen die de basis kan vormen voor meer macht of coördinerende rollen voor internationale organisaties als de WHO en de VN. De auteur werpt daarmee de vraag op of de nadruk op klimaat als gezondheidscrisis puur wetenschappelijk gemotiveerd is of ook institutionele doelen dient.