Schaakwonderkinderen zijn sinds de digitale databases minder zeldzaam, maar spreken nog altijd tot de verbeelding
In dit artikel:
Schaakwonderkinderen zijn tegenwoordig veel minder uitzonderlijk dan vroeger, stelt de auteur, doordat digitale databases en trainingsmateriaal jonge talenten razendsnel sterker maken. Toch blijft dezelfde oude vraag bestaan: wat maakt iemand tot een schaakgenie, en wat betekent zo’n uitzonderlijke jeugd voor de rest van het leven?
De tekst kijkt terug op beroemde jeugdspelers zoals Judit Polgár, Bobby Fischer, Samuel Reshevsky en Arturo Pomar. Polgár speelde als dertienjarige al tegen de auteur in Amsterdam, en groeide uit tot een wereldtopper én volgens hem ook tot een evenwichtige, vriendelijke volwassene. Haar uitzonderlijke ontwikkeling werd mede mogelijk gemaakt door een streng en gericht opvoedingsproject van haar vader, psycholoog Laszlo Polgár, die zijn dochters bewust tot genieën wilde vormen.
Daarnaast schetst de auteur zijn eigen schaakverleden: hij leerde de regels als kind, raakte pas echt betrokken via een schoolclub en vond later speelplezier bij jeugdschaakclub Het Zwarte Veulen in Amsterdam. Tegenwoordig is dat soort talent bijna alledaags geworden, met een maandelijkse ranglijst voor jonge topspelers. Daarop staan onder meer de Turk Yağiz Kaan Erdoğmuş, de Argentijn Faustino Oro en de elfjarige Rus Roman Sjogdzjiev, die zelfs door zeven grootmeesters tegelijk wordt begeleid. Ook de Groningse elfjarige Bram ten Dam komt voorbij als Nederlands talent om in de gaten te houden.
Onder de opsomming van namen en prestaties zit een bredere zorg: levert al dat vroege succes uiteindelijk ook geluk op? De auteur hoopt van wel, maar plaatst vraagtekens bij de druk en intensiteit die met zo’n jeugd gepaard gaan.
Vandaag Inside Oranje: René van der Gijp lacht om barduo Bas Nijhuis en Chris Woerts: 'Dadelijk potje vaseline mee!'