Rutger Bregman weet heus wel dat fixatie op grote mannen 'naïef, elitair en seksistisch' is, schrijft hij
In dit artikel:
Terugkeer van morele termen — plicht, deugd — domineert het publieke debat nu veel commentatoren en politici stellen dat het liberalisme te lang het vrije, vrijblijvende individu heeft verheerlijkt. Maar waar de discussie vaak uitdraait op Aristoteles’ deugdethiek of op christelijke varianten zoals bij Thomas van Aquino — met voorkeur voor concrete, gemeenschapsgebonden deugden — neemt de Duitse-Israëlische filosoof Omri Boehm het op voor een ander alternatief: het abstracte, universele universalisme van Immanuel Kant.
Boehm, docent aan de New School in New York en auteur van Radikaler Universalismus (recent in het Engels verschenen), keert zich tegen wat hij ziet als de versnippering van het politiek-moraal discours in identiteitscategorieën (zwart, wit, gay, cis, nationalist, kosmopoliet). Zijn kernstelling is dat alleen een abstract ethisch beginsel — de kantiaanse waardering van ieder mens als doel op zichzelf en de plichtsethiek die daaruit volgt — weerstand biedt tegen identiteitsdenken dat rechten en claims tegen elkaar afzet. Kantianisme berust volgens hem op rationele autonomie: mensen als vrije, redelijke wezens die morele wetten autonoom opleggen, getest door de categorische imperatief.
Boehm illustreert zijn pleidooi met scherpe, soms omstreden lezingen van historische teksten: Lincolns Gettysburg-toespraak, Martin Luther Kings brief uit de gevangenis van Birmingham en het Bijbelse offer van Abraham. Uit die voorbeelden destilleert hij de prioriteit van universele rechtvaardigheid boven partijdige religieuze, culturele of politieke eisen. Die universalistische lijn zet hij ook buiten academische kringen uiteen — wat leidde tot controverse: een geplande toespraak van hem bij een Buchenwald-herdenking werd door de Israëlische ambassade tegengewerkt omdat Boehm ook de verdrijving en onderdrukking van Palestijnen wilde bespreken; de tekst verscheen later in de Süddeutsche Zeitung en in de Engelse editie van zijn boek.
Het stuk plaatst Boehms werk in relatie tot andere hedendaagse stemmen in het morele debat. Rutger Bregman, bekend van De meeste mensen deugen, kiest voor een activistische deugdethiek: morele vooruitgang komt volgens hem van moedige individuen die zich laten gelden. Zijn bundel Morele revolutie bevat een doorwrochte oproep tot engagement, maar oogst kritiek omdat hij nadruk legt op heroïsche individuen — een “Grote Mannen”-narratief — en te weinig rekent met collectief verzet zoals slavenopstanden of het bredere abolitionistische verzet. Ook wijst Bregman resoluut het idee van vrije wil af, wat vragen oproept over de consistentie tussen zijn verheerlijking van individuele morele daadkracht en zijn deterministische inzichten.
Andere denkers zoals Jurriën Hamer zoeken een middenweg: zij willen het liberalisme herijken met plichts- en deugdideeën maar behouden een meer continentale, minder heroïsche toon. Tegenover hen stelt Boehm scherp de tegenstelling tussen Duits metafysisch universalismus en het Amerikaanse pragmatisme (Dewey, Rorty): waar pragmatisten oplossinggerichtheid en werkbaarheid waarderen, eist Boehm systeem en absolute morele pretenties.
Kritiek op Boehm richt zich op twee punten. Ten eerste is zijn aanval op identiteitsdenken niet origineel — dat debat woedt al lang — en positioneert hij zich bij andere links-liberale critici. Ten tweede dwingt hij historische gebeurtenissen in een filosofisch keurslijf: zijn lezing van de Amerikaanse Burgeroorlog als primair morele strijd van Lincoln tegen slavernij negeert complexere historische motieven en politieke realiteit. Ook zijn exegese van het Abrahamverhaal — waarin Abraham zou weigeren God te gehoorzamen en de reddende engel later toegevoegd zou zijn — is gewaagd en omstreden.
Al met al levert Boehms essay een prikkelende herinnering aan de kracht van liberale universalistische principes: de intrinsieke waarde van elk mens als fundament voor recht en moraal. Voor wie het liberalisme wil renoveren in plaats van af te breken, biedt zijn kantiaanse aanpak een stevig alternatief dat niet louter kan worden vervangen door heldenverering of kleine correcties van het bestaande denken.