Rood-zwarte, gevleugelde zandbewoners herkennen met de nieuwe soortzoeker wantsendoders
In dit artikel:
Vanaf half mei tot eind september kun je op zandige plekken — en soms zelfs in de stad — wantsendoders (familie Astatidae) zien rondscharrelen: kleine tot middelgrote rood-zwart gekleurde graafwespen die wantsen vangen en bevroren of verlamd bewaren in hun nestjes voor hun larven. In Nederland komen vijf soorten voor die sterk op elkaar lijken: de grote, kleine, Noorse en slanke wantsendoder, plus sinds 2019 de zuidelijke nieuwkomer gevlekte wantsendoder.
Verspreiding en leefgebieden
- De grote wantsendoder is algemeen en toleranter voor verstoring; je kunt haar zelfs in stedelijk gebied tegenkomen.
- De slanke wantsendoder is strikt gebonden aan open zandhabitats langs de kust en op binnenlandse zandgronden.
- De kleine wantsendoder is zeldzaam en warmteminnend, vooral in Limburg en oostelijk Gelderland.
- De Noorse wantsendoder is de afgelopen twintig jaar sterk in aantal afgenomen en is tegenwoordig zeldzaam; deze soort verdraagt minder warmte.
- De gevlekte wantsendoder is recent vanuit het zuiden Nederland binnengekomen met waarnemingen in Zeeland en Noord-Brabant; de kans op verdere kolonisatie wordt als groot gezien.
Gedrag en voortplanting
Mannetjes gebruiken hoge uitkijkposten (steen, paaltje, grasspriet) om vrouwtjes te vinden. Vrouwtjes graven nesten in zonnige, steile hellingen; de nestcellen liggen enkele centimeters diep. Ze jagen op (vaak onvolwassen) wantsen, verlammen die en leggen een ei bij de prooi zodat de larve direct voedsel heeft. Mannetjes en vrouwtjes zijn goed te onderscheiden: mannetjes hebben grote samenliggende ogen en zeven zichtbare achterlijfssegmenten; vrouwtjes hebben aparte ogen en zes zichtbare segmenten.
Herkenning en hulpmiddelen
Omdat wantsendoders qua kleur en leefwijze overeenkomen met andere rood-zwarte grondbezoekers (spinnendoders, rupsendoders, sprinkhanendoders, bloedbijen), bestaan er specifieke herkenningskenmerken. Spinnendoders hebben langere poten; rupsendoders een smal steeltje tussen borststuk en achterlijf; bloedbijen hebben afgeplatte tarsen en een hoger geplaatste antenne-inplanting. Sprinkhanendoders lijken het meest op wantsendoders, maar hebben een slanker borststuk, smallere slapen en missen de lange witte borst- en kopbeharing van wantsendoders. Ook binnen de wantsendoders helpen kenmerken zoals de witte kopvlek bij mannetjes (verschil tussen geslachten Astata en Dryudella) en specifieke cellen in de voorvleugel om soorten te scheiden — waarvoor scherpe vleugelfoto’s nodig zijn. Voor veldherkenning is recent een nieuwe soortzoeker voor wantsendoders verschenen met duidelijke foto’s en illustraties.
De gevlekte wantsendoder valt op door het mannetje met groene ogen, roomwitte vlekken aan de basis van het achterlijf en witte aders bij de voorvleugelbasis — kenmerken die haar van de andere Nederlandse soorten onderscheiden.
Ecologische druk: koekoekswespen
Wantsendoders worden zelf bezocht door goudwespen (genera Hedychridium en Holopyga) die hun eitjes in de nestcellen leggen. De goudwesplarven eten de verlamde wantsen of de wantsendoderlarve op; sommige goudwespsoorten zijn sterk gespecialiseerd op één wantsendodersoort. Voorbeelden: Holopyga generosa en Hedychridium roseum parasiteren vaak de grote wantsendoder; Hedychridium femoratum op de slanke; H. cupreum op de Noorse; H. caputaureum op de kleine wantsendoder. Voor de gevlekte wantsendoder zijn vooralsnog geen gespecialiseerde goudwespen in Nederland gemeld.
Monitoring en oproep
Veel aspecten van levenswijze en verspreiding blijven onbekend. Waarnemingen zijn daarom van groot belang en kunnen via Waarneming.nl worden doorgegeven. Observaties helpen bij het volgen van de Noorse wantsendoder (die mogelijk verder achteruitgaat), bij het vaststellen of de kleine soort profiteert van warmere, drogere zomers, en bij het signaleren van de verdere uitbreiding van de gevlekte wantsendoder.
Bronnen: EIS Kenniscentrum Insecten (tekst door Bibiche Berkholst) en recente veldfoto’s en -waarnemingen.