Rollende luxeproblemen in een land van laks onderhoud
In dit artikel:
In Portugal worden spullen en auto’s vaak zo lang mogelijk gebruikt. Preventief onderhoud geldt er al snel als onnodige kostenpost: pas wanneer iets echt kapot is, wordt het gerepareerd. Vooral buiten de steden zijn mensen handig genoeg om huishoudelijke apparaten, gereedschap en auto’s zelf of met hulp van een goedkope dorpsgarage jarenlang draaiend te houden. Dat leidt tot opvallend veel oude, uiterlijk verzorgde maar technisch verwaarloosde voertuigen.
De auteur is zelf een liefhebber van oudere auto’s, maar geen ervaren sleutelaar. Hij rijdt een 31 jaar oude BMW en begrijpt naar eigen zeggen vooral hoe hij onderdelen onder de motorkap moet aanwijzen. Na de verhuizing naar Portugal in 2022 zocht hij een betaalbare, betrouwbare auto zonder moderne digitale snufjes. Nieuwe auto’s waren te duur en goede gebruikte exemplaren zijn in Portugal schaars en daardoor relatief duur. Veel auto’s worden er tot het uiterste opgereden, mede doordat er nauwelijks een grote leasemarkt is.
Zijn keuze viel op een Toyota Land Cruiser 100 uit 2004, geïmporteerd uit Duitsland en met slechts 167.000 kilometer op de teller. De zware terreinwagen leek ideaal voor de slechte Portugese wegen, afgelegen paden en gevaarlijke verkeerssituaties. Bovendien kostte de auto in Portugal nog geen 180 euro per jaar aan wegenbelasting, tegenover ongeveer 3.600 euro in Nederland. Na aankoop liet de auteur hem controleren bij een Toyota-dealer in Faro. Die vond toen slechts beperkte, voor de kilometerstand normale gebreken.
Vier jaar lang reed de Toyota probleemloos, onder meer tweemaal naar Nederland. Jaarlijks kreeg hij bij de vaste garagist olie, filters en een nieuwe keuring. Alleen oppervlakteroest aan het chassis bleef een zorg. Daarom bracht de auteur de Land Cruiser in de zomer van 2026 naar een 4x4-specialist bij Faro. Die constateerde veel ernstiger problemen dan verwacht: de wielophanging was versleten, remblokken en remschijven waren op, de remklauwen zaten vast en de volledig verroeste uitlaat dreigde uit elkaar te vallen. Ook de radiator moest worden vervangen en vrijwel alle rubberen onderdelen waren uitgedroogd.
De Toyota had ondanks dit achterstallige onderhoud gewoon doorgereden, wat de reputatie van het model als onverwoestbare auto leek te bevestigen. Toch werd de reparatie een grote kostenpost. Onderdelen moesten zelfs uit de Verenigde Arabische Emiraten worden gehaald. De ervaring maakte duidelijk dat de auto niet zozeer goed was onderhouden, maar vooral sterk genoeg om jarenlang verwaarlozing te verdragen. Ook de jaarlijkse Portugese keuring had de gebreken kennelijk niet aan het licht gebracht.
De auteur trekt daaruit twee conclusies. Ten eerste betaalt een automobilist uiteindelijk alsnog voor jarenlang uitgesteld onderhoud, ook in een land waar arbeidsloon en belastingen laag zijn. Ten tweede zijn oude liefhebbersauto’s zoals zijn BMW E34 en de bijna dertig jaar oude Volkswagen Golf van zijn partner waarschijnlijk geen verstandige langetermijnkeuzes in Portugal. Beide hebben inmiddels ouderdomsproblemen en zouden vermoedelijk ingrijpend aan remmen, ophanging, uitlaat en carrosserie moeten worden aangepakt.
De Land Cruiser blijft voorlopig, omdat hij economisch en praktisch de beste optie is. De BMW zal mogelijk worden verkocht aan een liefhebber die hem goed kan onderhouden; hem ongebruikt in de tuin laten wegroesten wil de auteur niet. Zijn uiteindelijke les is dat Portugal een uitstekend land kan zijn voor goedkope, duurzame mobiliteit, maar een lastig land voor klassieke-autoliefhebbers die niet zelf over een garage, smeerput en technische kennis beschikken.
Vandaag Inside: Wilfred Genee gaat er plotseling vandoor In de Wandelgangen: 'Dááááág!'