Robbert Dijkgraaf: 'Als je niet in Amsterdam woont, praat je toch vooral over dát je niet in Amsterdam woont'

zondag, 31 augustus 2025 (18:17) - Het Parool

In dit artikel:

Robbert Dijkgraaf (65), natuurkundige, universiteitshoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam, voormalig directeur van het Institute for Advanced Study in Princeton en oud-minister, sprak deze week bij de opening van het academisch jaar in Groningen. In een gesprek aan de hand van steekwoorden belichtte hij thema’s als de relatie tussen wetenschap en samenleving, zijn wetenschappelijke drijfveren, leiderschap in de academie en persoonlijke ervaringen die zijn kijk bepaalden.

Dijkgraaf ziet zijn huidige functie aan de UvA als een “droombaan”: hij mag vrij werken aan de brug tussen wetenschap en de maatschappij. Hij waarschuwt dat het traditionele maatschappelijk contract—waarbi j belastinggeld wetenschap mogelijk maakt en iedereen daarvan profiteert—onder druk staat. Het grote zichtbare succes van wetenschap in zaken als vaccins, klimaat en biodiversiteit leidt tot grotere zichtbaarheid, maar ook tot verzet; sommige groepen ervaren wetenschap als elitair of politiek gekleurd. Zijn missie is te laten zien dat wetenschap er voor iedereen is.

Wetenschappelijk blijft hij gefascineerd door fundamentele vragen. Op papier bestaat er volgens de hedendaagse theorieën een samenhangend beeld van deeltjes en krachten (met in de snaartheorie het idee van één trillend snaartje), maar de grote uitdaging is te bewijzen dat die wiskundige ideeën ook de werkelijkheid beschrijven. Zijn wetenschappelijke loopbaan begon met nieuwsgierigheid als kind in Zoetermeer en ontwikkelde zich verder tijdens zijn verblijf in Princeton, waar de concentratie en het hoge academische niveau hem scherpten—een omgeving waar compromissen weinig ruimte kregen en men zich op essentiële problemen stortte.

Hij reflecteert ook op de huidige ontwrichting rond topuniversiteiten in de VS, waar instituties als Harvard en andere targets van culturele en politieke aanvallen zijn geworden, terwijl juist Silicon Valley veel baat heeft gehad bij wetenschappelijke vooruitgang. Voor Dijkgraaf is het verlies van vertrouwen in zulke instellingen een wake-upcall voor hoe kwetsbaar publieke steun kan zijn.

Zijn periode als minister noemt hij het meest betekenisvolle dat hij tot dusver heeft gedaan. Hoewel politiek soms onaangenaam is en veel projecten weer teruggedraaid worden, noemt hij twee blijvende resultaten: het herstel van de basisbeurs (de basisstudiefinanciering voor studenten) en een blijvende koerswijziging in de waardering van beroepsonderwijs—niet langer gezien als een trap naar academisch onderwijs, maar als een gelijkwaardige waaier van mogelijkheden. Tegelijk maakt hem het tijdelijke karakter van politieke besluiten pijn: wat in wetenschap cumulatief groeit, kan in politiek door opvolgers worden weggehaald.

Persoonlijke ervaringen spelen een grote rol in zijn levensverhaal. Hij ziet Einstein als moreel en intellectueel voorbeeld; verder is zijn huwelijk van ruim vier decennia met Corina een fundament: zij vult hem aan, regelt veel en fungeert als buffer in een druk leven. Het zwaarste moment was de ziekte van hun pasgeboren dochter Charlotte, die acute leukemie bleek te hebben; onverwachtse spontane genezing daarna noemde hij een wonder. Dat persoonlijke drama heeft ook wetenschappelijke reflecties opgeleverd: het benadrukte dat onwetendheid soms ruimte biedt aan hoop en dat inzichten over immuunsysteem-therapieën en gentherapie sindsdien medisch terrein hebben geopend.

Amsterdam blijft voor Dijkgraaf een geliefde thuisbasis: de stad combineert wereldstadfacetten met buurtleven en spontane gesprekken met Amsterdammers. Over jonge mensen merkt hij op dat zij sterk gevoelig zijn voor maatschappelijke problemen en het meest in het heden leven, maar vaak weinig instrumenten hebben om daadwerkelijk beslissingen te beïnvloeden; die energie ziet hij onder andere terug in protesten op het Malieveld.

Samenvattend staat bij Dijkgraaf de vraag centraal hoe wetenschap relevant, toegankelijk en ingebed in de samenleving kan blijven, terwijl hij zowel de blijvende kracht van fundamenteel onderzoek als de weerbarstigheid van politiek en publieke opinie onderstreept. Zijn positie aan de UvA gebruikt hij om die verbinding te versterken.