Rob Jetten en Dilan Yesilgöz durven extreemrechts geweld niet te benoemen, Jesse Klaver wel
In dit artikel:
Dinsdagavond werd een opvanglocatie voor asielzoekers in Loosdrecht bestookt met brandbommen. Vooraanstaande coalitiepolitici noemen de daders echter niet expliciet extreemrechts: premier Rob Jetten karakteriseerde het incident als rellen door een groep relschoppers en waarschuwde dat geweld nooit acceptabel is, terwijl vicepremier Dilan Yesilgöz het vooral had over een pand dat met vuurwerk werd belaagd en de hulpverleners die moeten worden beschermd — zonder expliciet te vermelden dat de aanval gericht was op vluchtelingen.
Oppositieleider Jesse Klaver trok wel meteen de link met aanhoudende opjutting door extreemrechtse groeperingen en noemde het geweld een directe ondermijning van de democratie en levensgevaarlijk. Hij wees ook op politici die de afgelopen weken bij protesten in Loosdrecht aanwezig waren, zoals Lidewij de Vos, Mona Keijzer en Gidi Markuszower.
De schets sluit aan op een patroon van terughoudendheid bij rechtse politici om politiek gemotiveerd extreemrechts geweld te benoemen; na de extreemrechtse rellen in Den Haag vorig jaar waren VVD-politici aanvankelijk ook niet bereid die kant te noemen, en veranderden sommige standpunten alleen na felle kritiek. Het incident in Loosdrecht brengt opnieuw de vraag naar voren hoe openlijk politiek-motivated extremisme door beleidsmakers wordt erkend en bestreden, en onderstreept de risico’s voor asielzoekers en hulpverleners.