Rechters aan zet in genocidezaak tegen Myanmar
In dit artikel:
Rechters van het Internationaal Gerechtshof hebben drie weken lang gepleit en getuigen gehoord in de zaak die Gambia tegen Myanmar heeft aangespannen. Gambia beschuldigt Myanmar ervan in 2017 genocide te hebben gepleegd op de Rohingya in deelstaat Rakhine; volgens de aanklacht werden dorpen platgebrand, vielen naar schatting meer dan 10.000 doden en werden ongeveer 750.000 Rohingya naar Bangladesh verdreven. Myanmar bestrijdt de aantijgingen en zegt dat zijn optreden een reactie was op terreur door de Rohingya-militie ARSA.
Een belangrijk twistpunt voor het hof is of de gebeurtenissen als genocide aangemerkt kunnen worden en of het veelgeciteerde VN-onderzoek uit 2018 als bewijs mag dienen — Gambia steunt zwaar op dat rapport, Myanmar probeert het af te wijzen. Juridische waarnemers rekenen op een uitspraak binnen ongeveer zes tot twaalf maanden.
De zitting viel samen met een politieke heroriëntatie van Myanmar thuis: het leger greep vijf jaar geleden de macht en arresteerde toen Aung San Suu Kyi. Recent voerde de junta voor het eerst sinds de coup weer verkiezingen in drie ronden; de door het leger gesteunde USDP heeft de overwinning opgeëist, maar de verkiezingen worden door de VN en ASEAN niet erkend. Antropologe Maaike Matelski benadrukt dat veel burgers gedwongen werden te stemmen en dat in conflictgebieden stemmen vaak onmogelijk was. Volgens haar zoekt legerleider Min Aung Hlaing met deze verkiezingen legitimatie en mogelijk het presidentschap.
De humanitaire nood stijgt scherp: het aantal mensen dat afhankelijk is van hulp nam in vijf jaar toe van ongeveer 1 miljoen naar circa 16 miljoen, wat de internationale zorg over de situatie verder voedt.