Recensie: mensen lachen en zingen, kinderen halen kattenkwaad uit - dat het er bij Jan Steen uitbundig aan toeging, is wel duidelijk
In dit artikel:
Museum De Lakenhal in Leiden viert de 400e geboortedag van Jan Steen (1626–1679) met de tentoonstelling Thuis bij Jan Steen, te zien tot en met 23 augustus. Waar de herdenking in 1926 uitgroeide tot een wereldwijde show met zeventig werken, is de editie van 2026 opgebouwd uit bijna dertig schilderijen uit Nederlandse publieke en particuliere collecties, aangevuld met werken van tijdgenoten.
De expo nodigt uit tot een stedelijke biografie: in de eerste zaal toont een grote plattegrond van Leiden plekken uit Steens leven — zijn huis vlakbij de voormalige lakenhal (nu het museum), de Latijnse school, een herberg die hij bezat en de brouwerij De Rode Hellebaert van zijn vader, waar hij opgroeide. Die Leidse context — een welvarende lakenstad met universiteit en levendige kunstwereld — verklaart deels waarom zoveel schilders daar woonden of werkten (onder anderen Jan van Goyen, Rembrandt, Jan Lievens, Gerrit Dou).
De tentoonstelling laat zien hoe zijn achtergrond het werk kleurde: het gezinsinkomen uit de brouwerij maakte een grondige opleiding mogelijk, inclusief klassieke vakken die later terugkomen in zijn historiestukken. Ook geeft de presentatie aandacht aan een anekdotische kant: Steen schreef zich kort in aan de universiteit, vermoedelijk deels om vrijstelling van accijns op bier en wijn te verkrijgen, terwijl hij het schildersvak leerde.
Aan de hand van genrevoorbeelden wordt die breedte zichtbaar. Kleinschalige portretten en levendige markttaferelen, zoals het bakkersechtpaar Arent Oostwaard en Catharina Keizerswaard — een alledaags beeld van handel en rumoer — worden naast stadsgezichten, winterlandschappen, historiestukken en uitbundige kroegscènes gehangen. Vooral de herberginterieurs — gemaakt na Steens terugkeer naar Leiden — roepen het meest het gevoel op “bij hem thuis” te zijn: gezellige drukte, rokende en drinkende schildervrienden, en vaak een zelfbewuste, lachende figuur in het middelpunt.
De opzet van de tentoonstelling is visueel modern: felgekleurde wanden dragen enorme detailreproducties, terwijl de originele doeken in relatief kleine, intieme kamers hangen. Dat werkt sfeerscheppend, maar leidt ook tot drukte voor de werken, waardoor het lastig wordt om elk schilderij rustig te bestuderen — jammer, omdat Steens tafereeltjes vol kleine, amusante gebeurtenissen zitten die tijd vragen om te ontdekken.
Hoewel zijn schilderijen een rijk beeld van het zeventiende-eeuwse huishouden geven — vol zang, muziek, spelende kinderen en huiselijk tumult — blijft de man zelf relatief ongrijpbaar. Wat we over zijn karakter en dagelijks leven weten, komt vaak uit latere, anekdotische biografieën die niet altijd betrouwbaar zijn. De doeken zijn tevens geconstrueerde scènes waarin humor, overdrijving en een moraliserende inslag spelen. Een paneel uit het Rijksmuseum illustreert dat: vier kinderen die een poes kwellen vormen een morele les over slecht ouderlijk voorbeeld; mogelijk gebruikte Steen eigen kinderen als modellen, waarmee hij zichzelf impliciet aanspoort tot zelfkritiek.
Kleine publieksinterventies — zoals citaten van kinderen die de schilderijen vergelijken met moderne kroeg- of marktervaringen — tonen dat de energie en herkenbaarheid van Steens werk nog steeds aanslaan. Tegelijk blijft de tentoonstelling meer een panorama van zijn veelzijdigheid dan een volledige ontleding van zijn privéleven.
Praktisch: Thuis bij Jan Steen — 400 jaar leven in de brouwerij, Museum De Lakenhal, Leiden, tot en met 23 augustus. Enige extra context: Steens naam leeft voort in het Nederlandse spreekwoord “een huishouden van Jan Steen” voor een rommelige, levendige huishouding — een passende samenvatting van wat zijn werk zo aanspreekt.