'RAGE! ENGAGE!' brult een Biënnalebezoeker in het Nederlandse paviljoen, maar echt spannend wordt het pas op het einde

woensdag, 6 mei 2026 (16:49) - NRC Handelsblad

In dit artikel:

In Venetië presenteert Dries Verhoeven (1976), samen met curator Rieke Vos, The Fortress als de Nederlandse bijdrage aan de Biënnale. Het paviljoen op de Giardini is tijdens de opening gehuld in politiek geladen symboliek: de presentatie vond plaats woensdagochtend onder meer in aanwezigheid van minister van Cultuur Rianne Letschert, koning Willem‑Alexander en koningin Máxima; ook de Oekraïense minister van Cultuur Tetyana Berezhna was aanwezig. De Biënnale zelf staat onder internationale spanning vanwege de deelname van Rusland (waartegen Nederland en 21 andere Europese ministers schriftelijk protesteerden) en de omstreden situatie rond Israël, waarover Verhoeven publiekelijk kritiek leverde op het Nederlandse kabinetsbeleid.

The Fortress stelt de bezoeker een gemanipuleerde entree voor: rolluiken en steunberen suggereren een gebouw dat op instorten staat en beperken per uur de toegang tot een afgesloten zaal. Daarbinnen voert steeds een van dertien wisselende performers een heftige, ongeveer 25 minuten durende solo uit; op de openingsdag was dat Jana Jacuka (1995). Haar fysieke, keelgestuurde kreten en haar ervaring (onder meer samenwerkingen met Marina Abramović) leveren een adembenemende, beangstigende voorstelling op. Tegelijkertijd oordeelt de recensent dat de performance, ondanks zijn intensiteit, soms te letterlijk en te afgerond oogt: het afgesloten, theaterachtige karakter van de opzet haalt volgens critici de rauwe urgentie van de kritiek op afstand.

Verhoeven benoemt zelf het centrale thema: de paradox van betrokkenheid op afstand. De Biënnale toont voortdurend wereldleed en geopolitieke misstanden, maar vaak vanuit de comfortzone van bezoekers die als toeristen kunnen kijken zonder zich direct bloot te geven aan gevolgen. The Fortress probeert dit te problematiseren door enerzijds een intieme confrontatie te forceren en anderzijds de locatie letterlijk te securen, maar die ingeperkte setting maakt de confrontatie ook kunstmatig — alsof men naar een voorstelling kijkt in plaats van deel te nemen aan een gedeelde morele ervaring. Tegelijk is het slot, waarin de ruimte in complete duisternis belandt, het meest spannende element: het vereist vertrouwen van onbekenden in elkaar en roept daarmee echte spanning op.

De inzending sluit volgens de beschouwing een drieluik af waarin Nederland zijn eigen positie op de Biënnale aan de orde stelde — van het uitwisselen van paviljoens tot het uitnodigen van buitenlandse collectieven — en legt daarmee de paradox van privilege bloot: het onderzoeken van machtsverhoudingen gebeurt binnen datzelfde systeem van representatie. Buiten het paviljoen gaat het leven verder; bezoekers lopen van paviljoen naar paviljoen, een fractie harder ademend, maar veel verandert er niet structureel.