Racisme maakt van het WK een oneerlijke competitie (die het kijken niet waard is)
In dit artikel:
Het naderende WK voetbal roept bij de schrijver een moreel dilemma op: wel of niet kijken nu het toernooi wordt overschaduwd door racisme en discriminatie. In de aanloop naar het toernooi zijn al concrete incidenten gemeld: een Iraakse spits opgepakt, een Somalische scheidsrechter de toegang tot de VS ontzegd, Iraanse supporters uitgezonderd, Oezbeekse spelers gecontroleerd met honden en het Senegalese elftal van top tot teen gefouilleerd. Dergelijke maatregelen raken niet alleen de waardigheid van betrokkenen, maar beïnvloeden ook de sportieve eerlijkheid — want training, supporters, veilige reis en welkom voelen bepalen mede het speelveld.
De schrijver worstelt met zijn rol: mee-demonstreren tegen onrecht of gewoon meedoen aan het volksfeest met een biertje en oranje shirt voelt misplaatst nu fundamentele waarden in het geding zijn. Tegelijk erkent hij het cynische realisme dat individuele boycots weinig effect hebben: toeschouwers en commerciële belangen zullen het evenement laten doorgaan. Anders dan eerdere controverses in landen met een andere cultuur, maakt het feit dat de gastheer een westerse bondgenoot is de hypocrisie schrijnender — men zou hier hogere standaarden verwachten.
De reflectie groeit uit naar een bredere kritiek op het Westen: politici en maatschappijen lijken grenzen op te rekken als het om onverdraagzaamheid en mensenrechtenschendingen gaat, en publieke verontwaardiging slijt onder de drang naar ontspanning. De schrijver eindigt eerlijk: hij voelt zich schuldig en verdeeld, en verwacht waarschijnlijk toch toe te geven aan de verleiding van het voetbal, ondanks zijn bezwaren.