Boete voor bouwer die menselijke botresten opgraaft
In dit artikel:
Bij graafwerkzaamheden op de bouwlocatie De Loeff aan de Torenstraat in Waalwijk (het voormalige dorp Baardwijk) zijn in september menselijke botresten aangetroffen op een plek waar vroeger een kerkhof lag. De vondst kwam boven tijdens het graven van een sleuf voor het woningbouwproject van circa zeventig woningen. Archeologen en toezichthouders troffen verschillende beschadigde menselijke resten in de sleuf en verspreid naast het tracé.
De gemeente stelt dat voor het specifieke deel waar is gegraven geen vergunning was verleend en legde aannemer Dura Vermeer in februari een bestuurlijke boete van 50.000 euro op. Dura Vermeer tekende bezwaar aan en kreeg uitstel om de onderbouwing tot 17 juni aan te leveren; zolang de bezwaarprocedure loopt geeft het bedrijf geen inhoudelijke reacties. Het bouwbedrijf betwist de conclusie van de gemeente en zegt dat het college op 24 juni 2025 alsnog een vergunning heeft afgegeven na meerdere archeologische onderzoeken. Volgens wethouder Timon Klerx viel echter een deel van het terrein doelbewust buiten die vergunning op basis van vooronderzoek, en is daar desalniettemin een sleuf gegraven.
Historische context: op deze plek stond ooit de parochiekerk van Baardwijk (14e eeuw), waarvan alleen de toren als rijksmonument resteert. Het oorspronkelijke kerkhof lag zuid en oost van de toren en is vermoedelijk rond 1900 gesloten; kadastergegevens uit 1835 noemen een perceelgrootte van 1520 m². In vragen in de gemeenteraad kwam aan de orde of de begraafplaats formeel was gesloten. De gemeente kon geen aparte sluitingsdocumenten vinden en verklaart dat kerkelijke begraafplaatsen destijds door het kerkbestuur werden gesloten en alleen aan gemeente en provincie werden gemeld, correspondentie die vaak niet tot op heden bewaard blijft. Een gespecialiseerd jurist in lijkbezorgingsrecht bevestigt dat procedureel vaak geen besluit van de gemeente bewaard is gebleven.
Waar de in de eerste sleuf opgegraven resten heen zijn gegaan, is onduidelijk: de gemeente zegt dat de locatie van die verstoorde resten niet bekend is, terwijl bij latere sleuven de vondsten onder archeologische begeleiding zijn verzameld en overgebracht naar het depot van het opgravingsbureau. Juridisch worden dergelijke botresten niet per se als beschermd archeologisch materiaal gezien en kunnen ze als bouwafval worden behandeld, maar ethisch pleiten deskundigen en raadsleden voor herbegraving binnen de gemeente. Het college overlegt met de provincie over opslag in het provinciaal depot of herbegraving; een definitief besluit is nog niet genomen.
Het gemeentebestuur wil voor openbare infrastructuur de grond ontgraven tot de benodigde diepte; bij percelen die aan bewoners worden uitgegeven moeten volgens het college alle overschotten verwijderd zijn. Er ontstaat zo een spanningsveld tussen juridische praktijk, ethische verwachtingen en belangen van ontwikkelaars en toekomstige bewoners. Begraafplaatsbeheerder en lokale betrokkenen benadrukken dat met de resten respectvol moet worden omgegaan.