Raad van State houdt Nederland in stikstofslot
In dit artikel:
De auteur hekelt de Raad van State (RvS) omdat die, ondanks eigen reflecties na de toeslagenaffaire, niet heeft geleerd en het voorzorgbeginsel op een manier toepast die maatschappelijke schade veroorzaakt. Centraal in de kritiek staat de PAS-uitspraak van 2019 en de daaropvolgende stikstofjurisprudentie: de RvS eist in wezen zekerheid dat nieuwe activiteiten geen schadelijke effecten op natuurgebieden hebben, en accepteert dat wetenschappelijke onzekerheid geen reden is om toelatingen te verlenen.
Het voorzorgbeginsel wordt kort neergezet als een instrument van anticiperende schadebeheersing: bij dreigende, nog niet ingetreden schade moet preventief worden opgetreden, met wetenschappelijke gegevens als basis. De RvS combineert volgens de auteur twee eisen — objectieve gegevens en uitsluiting van significante gevolgen — en trekt daaruit de conclusie dat er alleen toestemming kan zijn als wetenschappelijke twijfel praktisch is weggenomen. Die lezing leidt tot wat de schrijver een vicieuze cirkel noemt: onderzoek kan nooit absolute zekerheid bieden, dus het criterium biedt de RvS altijd ruimte om activiteiten te verbieden of stil te leggen.
De praktische consequenties zijn volgens de tekst ingrijpend: veel boeren dreigen failliet te gaan en woningbouwprojecten liggen stil door de strikte toepassing van het voorzorgbeginsel en de stikstofjurisprudentie. De RvS zou daarbij blind zijn voor de maatschappelijke en economische schade die haar uitspraken veroorzaken en toont onvoldoende ontvankelijkheid voor tegengeluiden, hoewel het eigen reflectierapport juist het belang van structurele tegenspraak benadrukt. De auteur verwijst naar kritiek op het voorzorgprincipe in het algemeen, onder meer van rechtsgeleerden die het als inconsistent en zelfondermijnend bestempelen.
De conclusie is scherp: als de RvS niet erkent dat wetenschap nooit absolute, schadevrije zekerheden levert, blijft het voorzorgbeginsel onbegrensd inzetbaar en blijft het “stikstofslot” permanent. De schrijver pleit voor het onder curatele stellen van het voorzorgbeginsel binnen de RvS — dus gelijke toepassing en meer terughoudendheid — maar verwacht weinig verandering, en ziet bij de RvS een bestuurlijk activisme en utopische vooringenomenheid die de samenleving schade toebrengt.
Kortom: de kritiek richt zich op de juridische interpretatie en praktische toepassing van voorzorg door de RvS, die volgens de auteur onevenredige nadelen veroorzaakt voor economie en maatschappij en onvoldoende ruimte laat voor tegengeluid en afwegingen van maatschappelijke belangen.