Psychiaters zien steeds meer tieners op de crisisdienst. 'Mam, ik heb pillen geslikt'

woensdag, 28 januari 2026 (14:34) - Trouw

In dit artikel:

Oudjaarsnacht 2024: de dertienjarige dochter van Muriëlle slikt pillen en neemt via Snapchat afscheid van vriendinnen. Dankzij een vriendin, die het bericht ziet en de moeder waarschuwt, worden politie en ambulance ingeschakeld; in het ziekenhuis krijgt het meisje antigif en laxerende medicatie. De volgende dag bezoekt de ggz-crisisdienst het gezin om te beoordelen of opname nodig is. Muriëlle besluit haar dochter thuis te houden, maar krijgt daarna intensieve ambulante begeleiding en ervaart hoe zwaar de nasleep is: in drie maanden tijd spreekt ze met 37 verschillende hulpverleners en ziet haar dochter later alsnog worden opgenomen en worstelen met cannabisverslaving.

Dit persoonlijke verhaal illustreert een bredere en zorgwekkende ontwikkeling: het aantal jongeren dat met acute psychiatrische problemen bij crisisdiensten terechtkomt is de afgelopen vijftien jaar sterk gestegen. Kinder- en jeugdpsychiater Pety So onderzocht crisisdiensten in Rotterdam, Amsterdam en Apeldoorn en vond dat het in sommige regio’s al dagelijks voorkomt waar dat vroeger uitzondering was. In Rotterdam gingen meldingen van tieners van 257 in 2018 naar 497 in 2025 (peildatum oktober). So analyseerde dossiers van duizend tieners (2018–2021): driekwart had een suïcidepoging gedaan of zichzelf ernstig verwond; gemiddeld was de patiënt 16 jaar oud, maar ook kinderen van 4–12 jaar komen voor—meestal jongens met gedragsstoornissen (minder dan 5%). Bij een op de tien werd psychotisch gedrag vastgesteld. Van de Rotterdamse adolescenten werd in die periode ongeveer 20% opgenomen.

Psychiatrische afdelingen en crisisdiensten staan voor lastige afwegingen: is opname noodzakelijk om veiligheid te waarborgen, of kan herstel beter thuis plaatsvinden? Onderzoek en ervaringsdeskundigen waarschuwen dat opname niet per definitie veiliger is; op gesloten afdelingen blijft suïcidaliteit aanwezig en kan soms verergeren. Bovendien voelen veel psychiaters zich onvoorbereid om kinderen en jongeren te beoordelen: opleidingen richtten zich vroeger vooral op volwassenen en behandelaars kennen de routes binnen jeugdhulp niet altijd. Die tekortkomingen leiden tot onzekerheid, extra druk van bezorgde ouders en soms tot opnames die mogelijk niet de eerste keuze zouden zijn.

Praktijkvoorbeelden tonen systemische problemen: sommige ggz‑instellingen, zoals Rivierduinen, hebben speciale jeugd-crisisdiensten en geven extra training omdat medewerkers ertegen opzien; andere plekken hebben dat niet. Beoordelingen van jongeren zijn complex omdat problemen vaak minder puur psychiatrisch zijn en meer te maken hebben met pedagogische kwesties, gezinsrelaties, echtscheiding, pesten of middelengebruik. Jongeren vinden het lastiger hun gevoelens te verwoorden en medicatie vereist zorgvuldige afwegingen qua type en dosis; vaak wordt daarom overleg gezocht met kinder- en jeugdpsychiatrie.

So pleit voor betere samenwerking tussen crisisdiensten en jeugdzorg, en voor snellere beschikbaarheid van de eigen behandelaar van de jongere; veel tieners die uit de bocht vliegen, ontvangen al hulp maar kunnen bij acute nood niet direct bij hun vaste hulpverlener terecht. Ook raden experts gezinsinterventies en haalbare afspraken binnen gezinnen aan—bijvoorbeeld afgesproken signalen als een jongere zich slecht voelt, en gezamenlijke plannen voor school—om herhaling te voorkomen en herstel in de eigen omgeving te ondersteunen.

Als onderliggende oorzaken noemt So geen uitgewerkte studie, maar vermoedt dat kwetsbaarheid van kinderen in combinatie met een hyperprikkelende samenleving, sociale media en toenemende stressoren een rol speelt. Dat kan ook verklaren waarom steeds meer jongeren met autisme bij crisisdiensten verschijnen: autisme maakt het verwerken van prikkels lastiger en kinderen worden continu blootgesteld aan informatie- en stimulusovervloed.

Tot slot wijst de berichtgeving op beleidsmatige stappen: er is een nieuwe richtlijn suïcidaliteit waar psychiaters op hopen; volgens psychiater Aartjan Beekman zou die tot zevenhonderd levens per jaar kunnen redden. Belangrijk blijven extra scholing voor crisismedewerkers, structurele verbindingen met jeugdzorg en meer steun voor gezinnen, zodat acute hulp niet alleen snel, maar ook passend en continu is.