„Protestanten en de milieubeweging: geen verzuiling, maar samenwerking"
In dit artikel:
Het zojuist verschenen boek Gedeelde gronden (negen hoofdstukken, tien auteurs), onder redactie van David Onnekink en Peter van Dam, onderzoekt de relatie tussen Nederlandse protestanten en zorg voor de schepping vanaf de negentiende eeuw tot heden. De centrale bevinding is dat christenen lange tijd actief waren binnen natuur- en milieuorganisaties zonder dat die organisaties een uitgesproken religieuze signatuur droegen: hervormden, gereformeerden, lutheranen en doopsgezinden waren allemaal betrokken. Onderzoekers keken biografische gegevens (doop, huwelijk, begrafenis) en vonden geen duidelijke verzuiling in de vroege natuurbescherming; mensen bonden zich vooral samen rond gedeelde doelstellingen.
Pas sinds ongeveer twintig jaar ontstaan er expliciet christelijke natuurinitiatieven, voorbeelden zijn A Rocha Nederland (2002), Groene Kerken (2011) en het recent opgerichte NatuurGetrouw (2024). De bundel weerlegt pleidooien die het christendom per definitie zien als oorzaak van milieuschade (de zogenoemde White-these): de historische praktijk toont een veelkleuriger beeld, waarin zowel exploitatie als zorg voor de natuur te vinden is.
Toch laat het boek ook schaduwkanten zien. Sommige christenen droegen bij aan ontginning en boskap, bijvoorbeeld door Nederlandse boeren die in Amerika de wildernis bestreden. Binnen Nederland ontwikkelde de Christelijke Boeren- en Tuindersbond (1970–1995) vooral een verdediging van protestantse landbouwbelangen; een uitgewerkte, bijbelse visie op milieuproblemen – zoals mestoverschot – bleef uit en er was weinig kruisbestuiving met de opkomende ecotheologie van de jaren 70 en 80. Die ecotheologie, zo merken de auteurs op, bleef een marginale stroming in de theologische wereld, ondanks dat zij vragen raakt die volgens hen centraal horen te staan in het geloof.
De bundel signaleert verder dat het publieke debat over milieu de afgelopen dertig jaar sterk gepolitiseerd is geraakt, vooral door klimaatvraagstukken. Toen ingrijpende maatregelen noodzakelijk leken, ontstond er vaker schuring tussen meer behoudende christelijke groepen en milieuactivisten, wat heeft bijgedragen aan een negatieve beeldvorming van de milieubeweging in delen van kerkelijk Nederland. Ook internationale voorbeelden tonen dat bijbelse interpretaties sterk uiteenlopen; sommige groepen gebruiken religie om rentmeesterschap te benadrukken, anderen om ontwikkeling en exploitatie te rechtvaardigen.
Samengevat biedt Gedeelde gronden een genuanceerd historisch overzicht: christelijke betrokkenheid bij natuurbescherming is langdurig en divers, maar niet eenduidig bruikbaar als bewijs voor één ethische lijn. De auteurs pleiten impliciet voor voortgezet gesprek binnen christelijke kringen over hoe geloof en zorg voor de schepping elkaar kunnen informeren.