Prostitutie is al 25 jaar legaal in Nederland, maar sekswerk is geen droombaan
In dit artikel:
In 2000 schafte Nederland het algemene bordeelverbod af en maakte prostitutie in principe volledig legaal. De verandering was bedoeld om gedwongen prostitutie tegen te gaan, de rechtspositie van sekswerkers te verbeteren en bordelen en clubs juridisch beter te regelen. Voor eigenaren kwam een vergunningplicht, zelfstandige sekswerkers moesten zich inschrijven bij de Kamer van Koophandel, belasting betalen en verzekerd zijn, en niet‑Nederlandse sekswerkers die bij een bedrijf werkten, moesten een verblijfsrecht hebben. De politie kreeg bevoegdheden om in te grijpen op werkomstandigheden en uitbuiting.
Hulporganisaties zoals De Haven, Scharlaken Koord en Fier tekenen een dubbel beeld van de afgelopen decennia. Aan de ene kant zijn omstandigheden in de vergunde sector verbeterd: prostitutiestraten en peeskamers zijn netter, werk wordt vaker volgens tijden georganiseerd, er zijn noodknoppen en vergunninghouders moeten hulpverlening toelaten. Deze veranderingen hebben zelfstandige, mondige sekswerkers – die bankzaken en verzekeringen regelen en openstaan voor contact met hulpverleners – duidelijk voordeel gebracht.
Tegelijkertijd bleef een aanzienlijke groep buiten het zicht van de overheid en hulpverlening. Een deel van de sekswerkers koos na legalisering bewust voor ongeregistreerd werk omdat registratie hun identiteit zou prijsgeven, of omdat zij als niet‑EU‑burgers geen formeel arbeidsrecht hebben. Deze vrouwen werken vaak in privéhuizen, hotels of vakantieparken en zijn extra kwetsbaar voor uitbuiting. Hulpverleners rapporteren treffende voorbeelden: vrouwen van buiten Europa (onder meer uit Colombia, Venezuela, Bulgarije en Roemenië) die zonder verblijfsrecht en zonder kennis van wetgeving naar Nederland komen via tussenpersonen en vervolgens gemakkelijk uitgebuit kunnen worden. Soms eindigt toezicht voor deze mensen in deportatie of in de nacht op straat met een koffertje.
Cijfers onderstrepen het probleem: CoMensha meldde in 2024 bijna duizend geregistreerde slachtoffers van mensenhandel, waarvan 48 procent seksuele uitbuiting betrof; het werkelijke aantal slachtoffers wordt op ongeveer 5.000 per jaar geschat. Armoede en grote inkomensverschillen spelen een hoofdrol als drijfveer: voor veel vrouwen uit Oost‑Europa of Zuid‑Amerika levert sekswerk in Nederland veel sneller en meer op dan werk in het thuisland, waardoor zij – zeker als ze familie moeten onderhouden – voor die optie kiezen, ook al beschouwen zij het zelden als een droombaan.
Maatschappelijk werkers maken het onderscheid tussen vrijwillig en gedwongen werk, maar benadrukken ook dat “keuze” vaak beperkt kan zijn door economische noodzaak. De gelegaliseerde sector biedt betere handhaafbaarheid en bescherming, maar misstanden blijven voorkomen, ook binnen vergunde inrichtingen.
Nieuwe politieke voorstellen zoeken verder te reguleren: het huidige regeerakkoord wil onder meer de minimumleeftijd voor sekswerk verhogen naar 21 jaar, en er ligt een wetsvoorstel (Wet regulering sekswerk) dat vergunningsplicht voor alle sekswerkers bepleit. Hulporganisaties pleiten ervoor sekswerkers zelf bij wijzigingen te betrekken: “Praat met hen, niet alleen over hen.” Het uitbannen van gedwongen prostitutie blijft de ambitie, maar implementatie- en handhavingsproblemen, migratieregels en de wens om anoniem te blijven, maken dat dit doel voorlopig onvolledig is gerealiseerd.