Prinses Marie pendelde tussen Wied en Wassenaar
In dit artikel:
Op 27 juni 1898 nodigde de zeventienjarige koningin Wilhelmina haar achternicht Marie en diens man, vorst Wilhelm zu Wied, uit voor haar inhuldiging in Amsterdam — omdat Marie het enige nog overgebleven familielid van het Huis Oranje was. Dat moment is het vertrekpunt van een levensschets van prinses Marie (Wilhelmina Frederika Anna Elisabeth Marie), geboren op 5 juli 1841 in Huize De Paauw te Wassenaar, als jongste kind van prins Frederik der Nederlanden en prinses Louise van Pruisen.
Marie groeide op binnen een wijd vertakt koningshuis: ze was neef of nicht van verscheidene Europese vorsten, onder wie de Russische tsaar Alexander II en de Pruisische koningen. Haar jeugd werd echter getekend door familieverdriet en afstandelijkheid: een jong overleden broer liet het gezin gebroken achter, haar vader bleef rouwend en haar moeder was koeler van aard. Marie kreeg een privé‑opvoeding, deed in 1858 belijdenis en correspondentie met haar zuster Louise — die later koningin van Zweden werd — bleef belangrijk voor haar.
Als jonge vrouw kwam Marie in aanmerking voor verschillende huwelijken. Ze werd ooit als mogelijke bruid genoemd voor de latere koning Edward VII, maar die ontmoeting vond niet plaats. Ze kampte vanaf jonge leeftijd met doofheid en werd in familiekringen niet altijd als mooi bestempeld, wat huwelijkskansen beperkte. Een serieuze optie was groothertog Friedrich Franz II van Mecklenburg‑Schwerin; dat huwelijk ging niet door, mogelijk door Maries eigen terughoudendheid. Uiteindelijk trouwde zij op 18 juli 1871 in Wassenaar met Wilhelm Fürst zu Wied, lid van een vorstelijk maar relatief klein Duits geslacht. Het huwelijk was lange tijd uitgesteld door de Frans‑Duitse oorlog en sterfgevallen in de familie; Marie was op het moment van trouwen al dertig, wat in die kringen als laat gold.
Het paar vestigde zich in Slot Neuwied en kreeg zes kinderen (vier zoons, twee dochters), van wie één zoon jong overleed. Marie erfde na het overlijden van haar vader in 1881 aanzienlijke bezittingen in Wassenaar, waaronder een paviljoen dat van oudsher aan koninginnen en prinsessen verbonden was en later Paviljoen Von Wied werd genoemd. De Wieds onderhielden nauwe banden met Nederland: ze spraken Nederlands, woonden regelmatig evenementen bij en kregen formeel toestemming van de Nederlandse Tweede Kamer om in de lijn van troonopvolging te blijven.
Toch waren de Wieds niet altijd welkom op het hoogste niveau: koningin‑moeder Emma vond hen aanvankelijk onder de stand, en een mogelijke verloving tussen Wilhelmina en een van Maries zonen bleek onwaarschijnlijk. Maries echtgenoot kreeg kritiek wegens zijn geringe vorstelijke uitstraling en vermeend profijt van Oranje‑kapitaal, maar familieleden en hofkringen waardeerden Marie persoonlijk zeer. Zij werd doorgaans beschreven als charmant, tactvol en moederlijk; hofdames herinnerden haar als eenvoudig en hartelijk.
Na Wilhelmina’s intrede in de troon volgde publieke speculatie over de plaats van de Wieds in de opvolgingsorde, mede omdat Marie — naast Wilhelmina — een van de weinige directe Oranje‑verwanten was. Die aandacht nam af na de geboorte van prinses Juliana in 1909. Wilhelm zu Wied overleed in 1907; Marie trok zich terug op Mon Repos bij Neuwied en overleed onverwacht op 22 juni 1910, 68 jaar oud.
Samengevat toont het verhaal van prinses Marie hoe familierelaties, persoonlijke beperkingen (zoals doofheid) en politieke gevoeligheden het leven van een vorstin bepaalden: zij speelde nooit een dominante politieke rol, maar bleef een beminde, verbindende figuur tussen het Duitse vorstenhuis Wied en het Nederlandse koningshuis.