Predikant Kasper Jager wil niet vergeleken worden met verzetsman Arnold Douwes. Maar deze historicus doet dat wél
In dit artikel:
Historicus Michiel van Diggelen gebruikt de lopende kerkasielactie in Kampen als voorbeeld dat verzet tegen overheidsbeleid wél kan werken. In de protestantse Open Hof-kerk schuilt het uitgeprocedeerde Oezbeekse gezin Babayants (vader, moeder en vier kinderen) inmiddels meer dan 500 dagen; de kerk houdt een onafgebroken 24-uursdienst omdat de IND (Immigratie- en Naturalisatiedienst) tijdens een godsdienstuitoefening niet mag binnenkomen, waardoor uitzetting voorlopig wordt tegengehouden. Predikant Kasper Jager, aan wie Van Diggelen het eerste exemplaar van de nieuwgepubliceerde biografie over verzetsman Arnold Douwes overhandigde, staat aan het hoofd van de actie en mobiliseerde sinds oktober 2024 ruim 350 predikanten en diverse organisaties om het gezin en daarmee ook ongeveer vierhonderd “gewortelde kinderen” in Nederland te beschermen.
De biografie Weerbaar — geschreven door Van Diggelen en de vorig jaar overleden Richard Tanke — plaatst het hedendaagse kerkasiel in een bredere traditie van gewetens- en actiegericht verzet. Van Diggelen haalt Douwes’ levensverhaal aan: een eigenzinnige man die tijdens de Tweede Wereldoorlog Joden hielp onderduiken, zich niets aantrok van maatschappelijke conventies, racisme in Amerika openlijk aan de kaak stelde en door zijn morele kompas gedreven gevaarlijke reddingsacties organiseerde. Douwes werkte samen met verzetsmensen als Johannes Post en de Joodse Nico Léons, vervoerde onderduikers per trein en bracht veel mensen in veiligheid; hij werd opgepakt, mishandeld en later door een knokploeg bevrijd. Na de oorlog trouwde hij met een van de meisjes die hij had gered, emigreerde naar Zuid-Afrika en later Israël, ijverde voor erkenning van dorp Nieuwlande bij Yad Vashem en keerde op hoge leeftijd terug naar Nederland.
Jager wil geen parallellen tot heldendom met Douwes trekken — hij erkent de levensgevaarlijke context van Douwes’ acties — maar ziet wel een duidelijke verwantschap in weerbaarheid en opstaan tegen wat men als onrecht ervaart. De kerkelijke inzet in Kampen is volgens hem een reactie op wat veel voorgangers en kerkgangers als een onmenselijke uitwerking van het asielbeleid zien: kinderen die in bureaucratische processen “vermalen” worden. De lokale gemeenschap reageert wisselend; binnen kerkelijk Nederland bestaat discussie of een kerkdienst hiervoor gebruikt mag worden, maar Jager zegt Christus te ontmoeten in de vluchtelingen die bij hen aankloppen en vergelijkt het schuilgedrag van de Babayants met onderduiken — alleen nu zichtbaar en publiek.
De actie lokt kritiek: tegenstanders vinden dat burgers niet tegen wettelijke besluiten mogen opstaan. Jager en Van Diggelen antwoorden dat er een moreel appel is wanneer wetgeving functioneel onrechtvaardige uitkomsten voor kinderen veroor-zaakt. Van Diggelen meent dat er een onderstroom van sympathie bestaat die zulke acties steunt en dat iemand als Douwes vandaag onophoudelijk tegen uitzettingen van gewortelde kinderen op de barricades zou staan.
De biografie belicht ook Douwes’ persoonlijke complexiteit: geen klassieke heldenretoriek, sterke overlevingskunst, trauma’s die tot relatiebreuken leidden en een politiek geladen houding in latere jaren (hij steunde zionistische doelen en had weinig begrip voor Palestijnen). Toch benadrukt Van Diggelen dat zijn drijfveer een consequente gewetensethiek was: handelen omdat mensen hulp nodig hadden, ongeacht welke wet of opinie dat tegenstond.
Kortom: het verhaal verbindt een hedendaagse concrete actie — het langdurige kerkasiel in Kampen voor de Babayants en andere kinderen — met een historisch voorbeeld van individuele weerbaarheid en moreel verzet. Het roept vragen op over de grens tussen wettelijkheid en rechtvaardigheid, de rol van kerken als toevluchtsoord en de mate waarin burgers in democratische samenlevingen mogen ingrijpen wanneer beleid naar hun oordeel mensen schaadt.