Predikant die kinderen premier Orbán doopte: Grote zwakte dat kerken zo loyaal zijn aan regering

zaterdag, 11 april 2026 (09:21) - Reformatorisch Dagblad

In dit artikel:

Gábor Iványi, een 74‑jarige methodistische predikant die ooit de huwelijksdienst van premier Viktor Orbán leidde, woont en werkt in een kantoorwoning in een buitenwijk van Boedapest. In een gesprek met Nederlandse bezoekers beschrijft hij hoe zijn kerkgenootschap, de Hongaars‑Evangelische Broederschap, en de daarbij behorende sociale voorzieningen decennialang doelwit zijn van politieke druk en juridische acties sinds Orbáns terugkeer aan de macht zo’n zestien jaar geleden.

Iványi vertelt dat hij zich weigerde te laten gebruiken voor politieke propagandafoto’s in Orbáns eerste premierschap (1998–2002), en dat hun relatie daarna verslechterde. Onder het huidige regeringsbeleid verloor zijn kerk de formele kerkelijke status en daarmee substantiële staatssteun — wijzigingen in de wet, in de volksmond “Lex Iványi” genoemd, maken het volgens hem onmogelijk aan de nieuwe regels te voldoen. De staat greep scholen, een bejaardentehuis en andere instellingen over en dwong overdrachten naar de officiële Evangelische Kerk. Ondanks dat zijn organisatie nog ziekenhuizen, een opvang voor daklozen en een gaarkeuken draaiende houdt, vreest Iványi dat ze onder aanhoudende druk en financieel isolement niet nog eens vier jaar kunnen volhouden.

Recentere confrontaties omvatten een huiszoeking van de belastingdienst in 2022 en een politiek beladen rechtszaak in 2024 — Iványi wordt beschuldigd van het aanzetten van een menigte tegen agenten bij de inval en riskeert jaren cel; uitspraak is gepland op 4 mei. Hij bestempelt het proces als politiek gemotiveerd en zegt dat timing in de aanloop naar verkiezingen duidt op campagnebelang.

Politiek hekelt Iványi Orbán fel: hij noemt het beleid corruptie‑gevoelig, schadelijk voor persvrijheid en hypocriet ten aanzien van christelijke waarden, terwijl grote kerken vaak zwijgen uit vrees hun subsidies te verliezen. De Joodse gemeenschap was wel publiekelijk solidair met zijn organisatie. Iványi bekritiseert ook de harde vluchtelingenpolitiek als on‑Bijbels en stelt dat Orbáns buitenlandse houding te veel richting Rusland neigt.

Voor de komende verkiezingen hoopt Iványi op een machtswisseling; hij overweegt te stemmen op Péter Magyar (Tisza), die volgens hem heeft toegezegd wetten te herzien en rechten terug te geven aan wie die ontnomen zijn. Hij verlangt dat een nieuwe regering de onrechtmatigheden herstelt, schulden compenseert en hem weer toegang geeft tot energiecontracten — op dit moment dreigt het staatsbedrijf MVM in april de elektriciteit af te sluiten. Iványi ziet veranderingen in de lucht en vergelijkt de situatie met 1989, toen het communistische bewind viel.