Politie, ambtenaren en woningcorporatie al vroeg op de hoogte van verkrachtingszaak Stek Oost. Burgemeester niet ingelicht.
In dit artikel:
Zembla’s uitzending Het Woonexperiment legt bloot dat al jaren waarschuwingssignalen rond bewoner Mohammad R.A. niet tijdig leidden tot ingrijpen in het Amsterdamse woonproject Stek Oost, een gemengd complex met ongeveer 250 Nederlandse jongeren en statushouders. Nieuw onderzoek toont dat politie, gemeente en woningcorporatie Stadgenoot elkaar al vanaf begin 2019 kenden van meldingen over seksueel grensoverschrijdend gedrag door Mohammad R.A., maar dat maatregelen lange tijd uitbleven. In juli 2024 werd hij uiteindelijk veroordeeld tot drie jaar cel voor twee verkrachtingen die in het complex plaatsvonden.
Het eerste signaal dateert van december 2018: kort na de opening van Stek Oost deed een Taiwanese vrouw via couchsurfing melding bij de zedenpolitie van een verkrachting, maar zij zag af van formele aangifte omdat zij zich als solo-reiziger onvoldoende gesteund voelde en de politie haar had aangegeven dat bewijs lastig te leveren zou zijn. In maart 2019 volgde een officiële aangifte door een bewoonster (in de uitzending aangeduid als Amanda). Zij verklaarde dat zij door Mohammad R.A. was verkracht nadat zij op zijn uitnodiging naar zijn woning was gegaan; zij vertrok daarna uit het complex, terwijl hij bleef wonen.
In het najaar van 2019 meldden meerdere vrouwen hun ervaringen aan zowel Stadgenoot als aan de politie. Een Stadgenoot-manager waarschuwde toen al dat er "waarschijnlijk meer aan de hand" was en dat een plan van aanpak nodig was. Desondanks leidde dit niet direct tot strafrechtelijke stappen. De politie registreerde in totaal zeven meldingen en aangiftes tegen Mohammad R.A. tussen 2018 en 2022, maar het onderzoek kwam traag op gang: de verdachte werd pas in juli 2020 voor het eerst aangehouden en verhoord, naar aanleiding van herhaalde oproepen waar hij deels niet op was ingegaan. Volgens zijn advocaatstekst speelde ook corona een rol in vertragingen.
De zaak kreeg nieuwe beweging toen advocate Maartje van Megen na het sepotbesluit van het Openbaar Ministerie in oktober 2020 (omdat er volgens het OM onvoldoende wettig en overtuigend bewijs zou zijn) een artikel 12-procedure startte om het dossier opnieuw te laten beoordelen. Zij signaleerde een patroon in de meldingen: vrouwen werden uitgenodigd in de woning van Mohammad R.A., kregen soms alcohol aangeboden, voelden zich daarna verdoofd en werden dan tegen hun wil betast of verkracht. Het gerechtshof beval op 4 november 2021 alsnog vervolging. Kort daarvoor (25 oktober 2021) deed een andere vrouw aangifte van een verkrachting in hetzelfde complex; deze zaak werd in het monitoroverleg over Stek Oost besproken, het overleg waarin politie, gemeente en woningcorporatie problemen uitwisselen.
Pas in februari 2022 belandde de zaak op het bureau van burgemeester Femke Halsema, waarna ze bestuurlijk ingreep met een gebiedsverbod dat de man verbood zich op Stek Oost te vertonen. Stadgenoot startte vervolgens juridische stappen om zijn huurovereenkomst te ontbinden; in maart 2022 werd Mohammad R.A. opnieuw aangehouden. In juli 2024 volgde de veroordeling tot drie jaar gevangenisstraf voor twee verkrachtingen. Hij ontkent de beschuldigingen en heeft hoger beroep ingesteld; dat proces staat gepland voor 2026 nadat hij in november 2025 zijn straf heeft uitgezeten.
De reconstruction roept vragen op over waarom partijen niet eerder steviger konden of wilden optreden. Stadsdeel Oost stelt dat vanaf begin 2019 al met zorginstanties en de wijkagent met Mohammad R.A. gesproken is, en dat hij herhaaldelijk hulp weigerde; het Actiecentrum Zorg en Veiligheid en de politie probeerden via gesprekken en een tijdelijk verblijf in een zogenaamde afkoelwoning escalatie te voorkomen. Stadgenoot wijst op beperkingen in haar bevoegdheden: juridisch kan een corporatie pas definitief optreden wanneer strafbaar gedrag vaststaat. Advocaat Van Megen bekritiseert die opstelling: volgens haar zouden verhuurders sneller moeten kunnen ingrijpen als de woonveiligheid voor derden in het geding is, zonder zich te verschuilen achter huurrechten.
Uit gesprekken met Zembla blijken ook klachten van slachtoffers over de eerste opvang door de politie: enkele melders voelden zich ontmoedigd om van een melding een officiële aangifte te maken, omdat zij werden gewezen op het langdurige en zware karakter van een zaak en op de geringe kans op veroordeling. De politie zegt dat complexe zedenzaken tijd vergen en benadrukt dat samenwerking tussen betrokken partijen sindsdien is aangescherpt om signalen sneller te delen en maatregelen eerder in te zetten.
Kort samengevat toont Zembla’s reconstructie aan dat Stek Oost lange tijd een serie waarschuwingssignalen kende rond één bewoner, maar dat institutionele beperkingen, communicatieproblemen en terughoudendheid bij slachtoffers ertoe hebben geleid dat effectieve bescherming van medebewoners te lang uitbleef. De zaak benadrukt de spanning tussen zorgaanpak en veiligheidsmaatregelen in woonprojecten en voedt de discussie over wanneer en hoe verhuurders en lokale overheden sneller moeten kunnen ingrijpen om bewoners te beschermen.