Pilot biedt meer inzicht in broedsucces kievit
In dit artikel:
De kievit, ooit een algemene weidevogel in Nederland, kampt al jaren met sterk teruglopend broedsucces. Omdat bestaande landelijke tellingen (BTS) vooral gericht zijn op de grutto en onvoldoende informatie geven over kieviten, startte de Actiegroep Kievit in 2025 een pilot om een telmethode specifiek voor deze soort te ontwikkelen. Initiatiefnemer is weidevogelvrijwilliger Aad van Paassen, die in zijn eigen werkgebied, de Duivendrechterpolder bij Amsterdam, wekelijks vogels observeert en nesten en kuikens registreert.
De pilot liep vanaf maart 2025 en omvatte twaalf tellers in zeventien gebieden verspreid van Texel en Friesland tot Overijssel en de Krimpener- en Lopikerwaard, goed voor 2.368 hectare. In plaats van de BTS-aanpak die voor grutto’s is geoptimaliseerd, werd er in meerdere rondes geteld (meestal drie tot vijf per gebied, soms wekelijks) tussen half april en half juli. Cruciaal was het systematisch zoeken naar daadwerkelijke kuikens, niet alleen het interpreteren van alarmgedrag van oudervogels, omdat dat gedrag vaak misleidend is.
De verzamelde data geven een gemengd beeld. Gemiddeld kwam het broedsucces in de deelnemende gebieden op 49% uit — enigszins hoopgevend maar waarschijnlijk te optimistisch. Plaatselijk waren de cijfers zorgwekkend laag: in de Duivendrechterpolder leidde de aangepaste methodiek tot een BTS van 14%, en ondanks 58 broedparen en 39 succesvolle uitkomsten van 60 gevonden nesten, werd er geen enkel kuiken vliegvlug. Op andere plekken (Texel, polder Schuwacht, Groningen) werden vergelijkbaar slechte resultaten gemeld, terwijl sommige gebieden met veel modderige foerageerplekken (bijv. Haulerpolder, Vroomshoop/Den Ham) wel vliegvlugge kuikens opleverden.
De oorzaken lijken meervoudig. Een zeer droog voorjaar reduceerde modderige voedselplekken voor kuikens, vermoedelijk in combinatie met predatie en intensiever landgebruik. Ook maakt het gedrag van kieviten het monitoren complexer: ze kunnen meerdere legsels per seizoen aanvangen na mislukte pogingen, waardoor het broedseizoen langer en dynamischer is dan bij grutto’s. Daardoor zijn frequentere, goed getimede tellingen nodig om het werkelijke broedsucces vast te stellen.
Uit de pilot blijkt vooral hoe essentieel het daadwerkelijk aantonen van kuikens is; alleen letten op alarmerende ouders leidt vaak tot verkeerde conclusies. Voor 2026 wil de actiegroep de methodiek aanscherpen: duidelijkere instructies over timing van rondes, interpretatie van alarmgedrag, zoekmethoden voor kuikens en leeftijdsbepaling. Ook wordt onderzocht of drones ingezet kunnen worden om kuikens beter op te sporen en worden onderzoeksinstellingen uitgenodigd om parallel onderzoek te doen naar factoren als droogte, predatorimpact en de effectiviteit van maatregelen zoals plasdrassen.
Van Paassen benadrukt de noodzaak van jarenlange, gestructureerde monitoring om landelijke trends betrouwbaar vast te stellen — vergelijkbaar met de langjarige gegevens voor de grutto sinds 1992 — en pleit ervoor de kievit dezelfde prioriteit te geven. Alleen met meerdere jaren aan goede data in veel gebieden kan worden vastgesteld welke maatregelen écht helpen. De pilot toont enerzijds de kwetsbaarheid van kievitkuikens en de complexiteit van oorzaken, en anderzijds dat vrijwilligers, boeren en onderzoekers gezamenlijk verschil kunnen maken: “De kievit verdient dezelfde aandacht als de grutto.”