Pensioenen in nieuwe stelsel houden inflatie niet bij: rendement is te laag en wordt gespreid over jaren
In dit artikel:
Sinds de invoering van het nieuwe pensioenstelsel per 1 januari 2025 stijgen de uitkeringen van gepensioneerden dit jaar minder snel dan de inflatie. Pensioenfondsen noteerden onvoldoende beleggingsrendement en houden bovendien een deel van de winst achter om later te gebruiken.
Bij PWRI, het fonds voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt, ging de uitkering op 1 januari 2026 met 2,71% omhoog, terwijl de inflatie in 2025 3,3% bedroeg. Het personeelsfonds van APG verhoogde uitkeringen met 0,67%, en het fonds voor loodsen rekent op ongeveer 1,2% in juli (op basis van de financiële positie in november), maar die verhoging is nog niet definitief. APG’s fonds behaalde ongeveer 2% rendement, maar gebruikte slechts een deel daarvan voor de uitkeringen.
Bestuurders leggen uit dat veel fondsen rendementen spreiden over meerdere jaren (meestal drie tot vijf). Daarmee bouwen zij een buffer op — bijvoorbeeld twee derde van een mogelijke stijging reserveren en slechts één derde direct toekennen — om schommelingen te dempen en toekomstige verhogingen mogelijk te maken. Dat maakt uitkeringen stabieler, maar kan slecht presterende jaren over langere termijn uitvergroten.
Jongere deelnemers aan de ingevaren fondsen zien hun verwachte pensioenvermogen sneller stijgen (en ook sneller dalen) dan gepensioneerden, omdat zij meer blootstaan aan renterisico. Oudere deelnemers worden juist beschermd tegen dat risico; die bescherming wordt betaald uit het totale rendement, waarna het overrendement wordt verdeeld — vaak in het voordeel van jongeren. Tot slot beïnvloedt een wijziging in de meetperiode (nu januari–september in plaats van september–september) de getoonde resultaten bij enkele fondsen.