Pas als we bang zijn voor klimaatverandering, zullen we er écht werk van maken

zondag, 17 mei 2026 (21:26) - NRC Handelsblad

In dit artikel:

„Ik wil het in de goede volgorde doen.” Met die woorden antwoordde minister van Financiën Eelco Heinen eind april in de Tweede Kamer op vragen waarom hij nog niet wil ingrijpen op de overwinsten van oliebedrijven: klimaatmaatregelen komen later, eerst andere prioriteiten. Die redenering — klimaat netjes achteraan in de rij na defensie, koopkracht en zorg — is wijdverbreid in Den Haag en terug te zien in bijvoorbeeld het Centraal Economisch Plan 2026 en de CPB-analyse van het coalitieakkoord.

De praktische keerzijde van die volgorde werd recent zichtbaar op de Veluwe. Op 29 april brandde het Artillerie Schietkamp in ’t Harde uit tijdens een goedgekeurde militaire oefening; honderden hectaren natuur gingen verloren, rookpluimen waren vanuit de ruimte zichtbaar. In dezelfde week laaiden door militaire oefeningen ook branden op de Oirschotse Heide en de Weerterheide op. Hoewel procedures en vergunningen volgens alle regels waren afgehandeld — en de commandant aangaf te blijven oefenen — bleken de protocollen niet aangepast aan de extra droogte en veranderende omstandigheden.

De auteur stelt dat steeds wachten met klimaatactie geen neutrale keuze is maar een moreel besluit met reële kosten. De Brit Nicholas Stern wees al in 2006 op klimaatverandering als het grootste marktfalen ooit: de huidige consumptie levert privévoordeel op maar veroorzaakt collectieve, vaak latere schade. Verzuim om nu te handelen vergroot de uiteindelijke rekening. Filosofisch legt Derek Parfit uit waarom leed van toekomstige generaties makkelijk genegeerd wordt: zij bestaan nog niet en kunnen niet meewegen in huidige besluitvorming, waardoor kortetermijnbelangen doorslaggevend blijven.

Twee structurele mechanismen houden de prioritering van het hier-en-nu in stand. Ten eerste: de kosten van duurzaamheidsbeleid zijn direct en zichtbaar (bijv. hogere belastingen), terwijl de baten verspreid en toekomstig zijn; wie investeert betaalt, de hele samenleving profiteert, waardoor weinig individuen bereid zijn offers te brengen. Recent onderzoek toont dat circa 80 procent van de financiële waarde van de grootste beursgenoteerde bedrijven in Nederland en Duitsland ten koste van de maatschappij gaat. Ten tweede: schaalproblemen — nationale investeringen leveren mondiale opbrengsten, waardoor handelende landen meelifters niet kunnen uitsluiten en kiezers de voordelen niet lokaal terugzien.

Om die reflex te doorbreken pleit de tekst voor concrete maatregelen: maak de dreiging tastbaar (zoals bij de Deltawerken, die ontstonden toen het water zichtbaar en direct bedreigend werd), veranker de belangen van toekomstige generaties via klimaatraden of naturraden, en leg kosten bij veroorzakers door belastingen op vervuiling en op overwinsten. Europa wordt genoemd als het meest logische niveau voor zulke heffingen vanwege grensoverschrijdende effecten.

De casus op ’t Harde illustreert het probleem: alles was procedureel in orde, maar de wereld veranderde sneller dan de regels. Conclusie: het huidige systeem remt langetermijnhandelen, maar het ontwerp is aan te passen — anders volgt de rekening, en die komt met rente.