Over sport wordt gesproken in oorlogscodes, maar het gaat om liefde en de schoonheid, betoogde David Foster Wallace
In dit artikel:
Sportinterviews vol gezapige clichés vormen in de tekst het vertrekpunt van David Foster Wallace’ fascinatie: waarom geven topsporters na wedstrijden altijd voorspelbare antwoorden, en waarom wil het publiek die lege verwoordingen überhaupt horen? Wallace raakt op die vraag terug bij de autobiografie van Tracy Austin, Beyond Center Court: My Story. Austin was een kindster in het vrouwentennis — op de omslag van World Tennis als vierjarige, op haar veertiende al op Wimbledon, nummer één van de wereld op zeventien — maar haar carrière eindigde abrupt door blessures en ongevalleed: op eenentwintig moest ze de sport al aan de wilgen hangen. Haar memoires blijven volgens Wallace steken in verzamelingen algemeenheden en illustreren zo de voorspelbare vorm van sportbiografieën.
Van daaruit breidt Wallace het thema uit: wij als toeschouwers verlangen naar inzicht in het innerlijk van atleten omdat we van buiten af hun fysieke perfectie zien en hopen dat die beheersing ook een bijzondere innerlijke diepgang verraadt. Sportjournalistiek en spelers zelf slagen daar zelden in; hoezeer ze ook praten, ze brengen het geheim achter hun prestaties niet onder woorden. Wallace daarentegen beschrijft die mystiek wél, niet doordat hij zelf een totaal verlicht binnenwereld van atleten onthult, maar omdat hij als kijker en als bedreven toeschouwer precies observeert wat er gebeurt op het veld.
Zijn eigen ervaring als jongere tennisser — hij bereikte de top‑20 in zijn regio in de VS en leerde omgaan met moeilijke speelomstandigheden in Centraal‑Illinois — voedt die beschrijvingen. Wallace stelt dat tennis, meer dan andere sporten, vraagt om een combinatie van lichamelijke controle, snelheid, hand‑oogcoördinatie, uithoudingsvermogen en een zeldzame mix van behoedzaamheid en overgave. Tegelijkertijd wijst hij op de prijs die atleten betalen: jeugd die in het teken staat van training en competitie, een verarmd geestelijk leven, en offers die lijken op een bijna ascetische toewijding.
Als voorbeeld van wat topsport zo betoverend kan zijn, haalt Wallace Roger Federer aan: in Wimbledon 2006 zag hij bij Federer momenten waarin het lichaam ogenschijnlijk de natuurwetten tartte — gestures die kijkers een soort verlossing lijken te geven. Het wezenlijke punt van Wallace is dat grootheden in de sport vaak niet het type reflectieve denker zijn dat we verwachten; hun genialiteit zit in automatische intelligentie, in intuïtief handelen dat lijkt op stilte. Die stilte, zo betoogt hij, is misschien wel het diepste geheim van sportelijk meesterschap — en Wallace heeft het talent om die stilte toch in woorden te vangen.