Ouders die thuisonderwijs geven hebben de wet aan hun kant
In dit artikel:
De schrijver waarschuwt dat de regering en lokale overheden de ruimte voor bijzonder onderwijs en voor ouders die op grond van gewetensbezwaren niet willen dat hun kinderen naar openbaar onderwijs gaan, verder beperken — met als gevolg dat de wettelijk verankerde vrijstelling voor gemoedsbezwaarden steeds belangrijker wordt. Centraal staat de vrijeplaatsingsregeling in de Leerplichtwet: ouders met bezwaren tegen openbaar onderwijs hebben recht op een vrijstelling die van rechtswege bestaat, gestoeld op godsdienstvrijheid, onderwijsvrijheid en het ouderlijk gezag. Die vrijstelling is een hardheidsclausule en kan volgens de auteur niet zomaar door gemeenten of hoogste rechters worden afgeschaft.
De auteur bekritiseert meerdere gemeenten (onder andere Den Haag, Utrecht en Groningen) die zich volgens hem onjuist opstellen door te suggereren dat zij vrijstellingen kunnen intrekken of niet meer toekennen. Hij verwijst naar een arrest van de Hoge Raad van 21 april 2026 dat gemeenten als rechtvaardiging gebruiken, maar noemt die jurisprudentie aantoonbaar onjuist: de Hoge Raad zou onterecht hebben aangenomen dat openbaar onderwijs neutraal is en dat gemoedsbezwaarden daarom niet mogelijk zijn, terwijl de Leerplichtwet expliciet bezwaren tegen openbaar onderwijs noemt. Door deze uitleg zou de rechterlijke macht afwijken van de wet, en kunnen ouders onterecht strafrechtelijk worden gevolgd; het Openbaar Ministerie zou bereid zijn vervolgingen te hervatten, terwijl dergelijke feiten zich volgens de auteur al vijftien jaar voordoen.
Daarnaast signaleert de schrijver een bredere trend waarbij het kind steeds meer als autonoom “rechtssubject” wordt gezien, ook in beslissingen over schoolkeuze. Hij ziet daarin een verschuiving die het gezag van ouders uitholt — een ontwikkeling die ook terugkomt in een brief van de Kinderombudsman (20 mei). Volgens de auteur vormt deze nadruk op kindinspraak een gevaarlijke beleidsrichting die het ouderlijk recht op opvoeding en onderwijs verzwakt.
De auteur waarschuwt voorts dat de regering, ook al belooft zij het constitutionele artikel 23 ongemoeid te laten, via instrumenten als verplicht burgerschapsonderwijs feitelijk ruimte van bijzondere en confessionele scholen kan inperken. Daardoor blijft het recht op bijzonder onderwijs in de praktijk onder druk staan, en wordt de vrijstelling voor gemoedsbezwaarden volgens hem een noodzakelijke vangrail voor ouders die hun kinderen volgens hun geloofsovertuiging willen opvoeden.
Slotconclusie: de overheid en betrokken instanties moeten terug naar de letter en geest van de wet en het ouderlijk gezag respecteren. De gemoedsbezwaardenvrijstelling is geen achterhaalde anachronisme maar een hardheidsclausule die nodig is om de onderwijsvrijheid en religieuze opvoeding te beschermen; beleidsmakers, gemeenten en rechters die anders handelen, behoren hun koers te corrigeren. De auteur is medeoprichter van de stichting Van Rechtswege.
De Oranjezomer: Zijn rellen na zege Marokko een maatschappelijk probleem of een Marokkanenprobleem?