Oud-topambtenaar over stop voor bezoek aan ouderen in coronatijd: 'Gevaar op besmetting achtten wij groter dan vereenzaming'
In dit artikel:
Tijdens het verhoor van oud‑directeur‑generaal Langdurige Zorg Ernst van Koesveld vroeg de coronacommissie zich of bewoners en verzorgenden in verpleeghuizen in de eerste helft van de pandemie achtergesteld werden ten opzichte van patiënten en personeel in ziekenhuizen. De kern: maatregelen moesten kwetsbaren beschermen, maar maakten ouderen in instellingen vaak juist erg zichtbaar door hun isolement en gebrek aan materiële bescherming.
Op 19 maart 2020 legde minister Hugo de Jonge een landelijk bezoekverbod op voor verpleeghuizen; dat besluit werd destijds genomen vanuit de afweging dat het besmettingsrisico door familie groter was dan het risico van vereenzaming. Er bestond wel een uitzondering voor afscheid, en beleidsmakers zeiden actief aandacht voor dat probleem te hebben gezocht. Tegelijk hadden veel instellingen te weinig persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM). Verenso waarschuwde al in maart dat mondkapjes schaars waren, en in een mail van De Jonge op 5 april werd erkend dat er geen goed zicht was op voorraden en dat de verdeling niet eerlijk verliep.
Hoewel Van Koesveld ontkende dat het bezoekverbod was ingegeven door de tekorten, werd op 13 april een nieuw verdeelmodel ingevoerd zodat verpleeghuizen niet meer achteraan zouden staan. Eind april gingen de eerste huizen beperkt weer open; tegen die tijd waren ongeveer 5.000 bewoners overleden. Van Koesveld benadrukte dat sluiten sociaal te belastend bleek en dat men geleerd had daarvan.
De commissie besprak ook RIVM‑richtlijnen: in maart kreeg personeel te horen dat preventief mondkapjegebruik ‘niet nodig en niet gewenst’ was — een formulering die Van Koesveld op 14 april heeft laten toevoegen vanwege schaarste en de angst voor hamstergedrag; later, in augustus, werd die preventieve inzet toch aanbevolen. Op de vraag of overal veilig gewerkt kon worden, gaf Van Koesveld een nuchter antwoord: “Nee.” Als les pleit hij voor structurele voorraadcontroles tijdens de ‘koude fase’ om herhaling te voorkomen.