Vanuit Nederland droomt oud-bondscoach Ghotbi van vrij Iran op WK
In dit artikel:
De Iraans-Amerikaanse voetbaltrainer Afshin Ghotbi (62), die tussen 2008 en 2011 bondscoach van Iran was en eerder als assistent onder Guus Hiddink, Pim Verbeek en Dick Advocaat werkte, volgt de recente onrust in Iran met grote zorg. Ghotbi, geboren in Teheran maar opgegroeid in Los Angeles, zegt dat hij met “een knoop in zijn maag” nieuws uit zijn geboorteland ontvangt en hoopt dat Iraanse sporters weer zonder politieke dilemma’s en met trots op het internationale podium kunnen verschijnen — mogelijk zelfs op het WK in de Verenigde Staten, Canada en Mexico.
Ghotbi legt uit hoe de politieke situatie in Iran niet alleen binnen de landsgrenzen schade toebrengt, maar ook de positie van Iraniërs in het buitenland aantast. Door isolatie en het imago van het regime worden veel Iraniërs – ook succesvolle professionals – als tweederangsburgers of verdacht behandeld buiten Iran. Voor hem persoonlijk maakt de huidige golf van geweld het extra pijnlijk omdat het contact met familie en vrienden in Iran bemoeilijkt is en jonge mensen worden gedood of gearresteerd terwijl ze om basisrechten vragen.
Zijn eigen levensloop illustreert waarom dat hem raakt: als schooljongen in LA ervoer hij al de impact van de Iraans-Amerikaanse spanningen tijdens de gijzelingscrisis in 1979, wat hem motiveerde zich via voetbal te bewijzen. Hij werkte bij LA Aztecs, richtte een voetbalschool op en keerde later terug naar Iran, waar hij onder meer bij Persepolis werkte voordat hij bondscoach werd met als doel het WK 2010 te bereiken.
De politieke storm rond de Groene Revolutie in 2009 toonde volgens Ghotbi hoe snel sporters in het gedrang kunnen komen. Tijdens een kwalificatiewedstrijd droegen meerdere spelers groene armbanden als teken van solidariteit met demonstranten, iets wat de focus en prestaties beïnvloedde en uiteindelijk meehielp aan het mislopen van kwalificatie. Ghotbi ervoer hoe politiek boven sport kan komen te staan en waarom het voor hem als coach moeilijk was om een neutrale rol te behouden; desalniettemin bleef hij aan tot en met de Azië Cup 2011 in de hoop van binnenuit iets te veranderen.
Ghotbi benadrukt de enorme betekenis van voetbal in Iran — stadions vol mensen en diepe emotionele binding — en de onmogelijke positie van nationale spelers die tussen regime en protesterende bevolking staan. Zij riskeren vervreemding van hun eigen land of worden gezien als onderdeel van het bewind. Zijn ideaalbeeld is helder: een vrij Iran waarin spelers zonder angst en zonder politieke ballast hun land kunnen vertegenwoordigen en waarin Iraniërs wereldwijd weer met trots kunnen zijn verbonden aan hun afkomst.