'Oorlogsvoering op afstand laat ons vergeten wat oorlog werkelijk is: dood en vernietiging'

donderdag, 30 april 2026 (06:08) - Follow the Money

In dit artikel:

De moderne conflicten tussen de VS/Israël en Iran laten volgens onderzoeker Lauren Gould zien hoe oorlog steeds meer op afstand wordt gevoerd: satellieten, drones en kunstmatige intelligentie vervangen in toenemende mate troepen op de grond. Sinds de luchtoorlog van de Verenigde Staten en Israël tegen Iran in februari zijn volgens het Britse Royal United Services Institute al tienduizenden aanvallen uitgevoerd (meer dan 13.000 doelen; alleen in de eerste 16 dagen werden ongeveer 11.000 wapens ingezet), maar veel van de verwoesting blijft buiten het zicht van westerse publiek en media.

Gould, universitair hoofddocent conflictstudies aan de Universiteit Utrecht, gebruikt de term “remoting” voor deze strategieën: het verplaatsen van geweld naar een veilige afstand waarbij beslissingen gebaseerd zijn op beelden en signalen verkregen door drones, satellieten en onderschepte communicatie. Dat vermindert niet alleen het aantal westerse militaire slachtoffers en verhoogt politieke draagkracht thuis, maar het tast ook de kwaliteit van inlichtingen aan. Lokale menselijke kennis – cruciaal om onderscheid te maken tussen strijders en burgers – gaat verloren, waardoor fouten en burgerdoden toenemen.

Een illustratief voorbeeld is de Nederlandse F-16-aanval op een munitiedepot in Hawija (Noord-Irak) op 2 juni 2015. De explosie verwoestte een groot deel van een woonwijk en kostte volgens onderzoek minstens 85 burgerslevens. De Nederlandse overheid hield de zaak jaren stil, nam verantwoordelijkheid, maar weigerde uiteindelijk individuele schadevergoedingen met het argument dat slachtoffers niet identificeerbaar zouden zijn. Gould vond tijdens veldwerk dat bewoners een diep wantrouwen ontwikkelden: zij geloofden in het idee van “precisie” van westerse technologieën en voelden zich dubbel bedrogen wanneer die technologieën massale burgerdoden veroorzaakten. Zonder aanspreekpunt of zichtbare vertegenwoordiger van de aanvallende machten bleef er geen mogelijkheid om leed te erkennen of verantwoording te eisen.

Gould benadrukt het begrip “compounding harm”: de gevolgen van een aanval strekken zich veel verder dan directe doden en schade. Verlore inkomsten, hoge medische lasten, gebroken gezinnen en langdurige ontheemding stapelen zich op en verergeren elkaars effecten. In Hawija leidde de luchtaanval bovendien niet meteen tot bevrijding van de stad; ISIS bleef er nog jaren, waardoor inwoners gevangen zaten tussen bombardementen en repressie.

De introductie van AI en machine learning verandert dit systeem verder. Algoritmes worden ingezet om grote hoeveelheden surveillancedata te filteren en verdachtmakingen te automatiseren. Gould noemt voorbeelden uit Gaza, waar het Israëlische leger tienduizenden mensen markeerde als hoog risico en operators soms maar 20 seconden kregen om een aanduiding te checken. Dit verschuift de focus van zorgvuldige, contextgevoelige beoordeling naar snelheid en kwantiteit. AI reduceert mensen tot datapunten en ontneemt besluitvormers deels hun morele en juridische verantwoordelijkheid door fouten aan de technologie toe te schrijven.

Techbedrijven als Amazon, Google en Microsoft leveren de cloudinfrastructuur en software die deze processen mogelijk maken. Hoewel publieke verontwaardiging soms tot (tijdelijke) terugtrekking van diensten leidt, worden projecten vaak door andere leveranciers overgenomen of via alternatieve contracten voortgezet. Voor de getroffen bevolking stopt de bedreiging niet met het dreunen van explosies: permanente surveillance infiltreert het dagelijks leven. Gedrag dat in een oorlogssituatie normaal is — zoals regelmatig van telefoon wisselen of in familie- of hulpgroepen zitten — kan door algoritmes als verdacht worden gezien, met psychologische verlammen tot gevolg.

Gould trekt een breder politiek-economische conclusie: westerse regeringen blijven deze afstandelijke oorlogsvoering inzetten omdat oorlog vaak ook andere belangen dient—strategische, economische en commerciële. De “kill chain” (het proces van detectie, besluit en aanval) is uitgegroeid tot een doel op zich, gestimuleerd door defensie-industrie, investeerders en verzekeraars. Om echt iets te veranderen is er volgens haar een fundamenteel debat nodig over wat men met militair geweld wil bereiken en of die doelen met deze technologieën te realiseren zijn. Bombardementen zoals in Hawija zijn volgens haar geen incidenten, maar het gevolg van bewuste ontwerpprocessen en strategische keuzes die snelheid en schaal boven humaniteit zetten.