Oorlog in Sudan gaat vierde jaar in - terwijl ogen gericht zijn op Midden-Oosten
In dit artikel:
Sudan verkeert drie jaar na het uitbreken van het geweld volgens de VN nog steeds in de ergste humanitaire crisis ter wereld. Ongeveer een kwart van de bevolking — circa 14 miljoen mensen — is ontheemd, en het aantal doden wordt geschat tussen ruwweg 40.000 en mogelijk tien keer zo veel. Er zijn talloze meldingen van honger, seksueel geweld en gerichte aanvallen op ziekenhuizen en medisch personeel.
De strijd speelt zich vooral af tussen het Sudanese leger en de Paramilitaire Rapid Support Forces (RSF). De machtsverdeling is nagenoeg ongewijzigd: het leger heeft vooral controle in het oosten, de RSF domineert delen van het westen. Belangrijke knooppunten waren de herovering van Khartoem door het leger en de verovering van El Fasher in Darfur door de RSF; de zwaarste gevechten verschuiven nu naar de Kordofan-regio. Omdat geen van de partijen beslissend overwicht heeft, is er sprake van een bloedige patstelling waarbij burgers het zwaarst lijden.
De interne strijd wordt versterkt door buitenlandse inmenging. De RSF ontvangt wapens uit de Verenigde Arabische Emiraten in ruil voor goud, terwijl Egypte het soevereine leger onder meer luchtsteun biedt. Die externe steun houd het conflict in stand: zolang wapens en terughoudende bondgenootschappen blijven, blijven de gevechten doorgaan. Tegelijkertijd heeft de oorlog in het Midden-Oosten effect op Sudan: door stijgende brandstofprijzen en een blokkade van de Straat van Hormuz worden brandstof en kunstmest schaarser en duurder — een grote klap voor landbouw, transport en militaire logistiek.
De VN-topman António Guterres waarschuwde bij het ingaan van het vierde oorlogsjaar dat het conflict een bedreiging voor de hele regio vormt. Tijdens een donorconferentie in Berlijn werd 1,3 miljard euro aan humanitaire hulp toegezegd, maar toegang voor hulporganisaties blijft beperkt en onderhandelingen tot nu toe vruchteloos.
Toekomstperspectief is somber: zicht op een staakt-het-vuren ontbreekt en aandacht en capaciteit van internationale actoren lijken te verschuiven vanwege de crisis in het Midden-Oosten. Een klein lichtpunt vormen lokale initiatieven: burgers die gaarkeukens opzetten, medische hulp organiseren en noodevacuaties uitvoeren. Deze grassrootshulp redt levens, maar verandert niets aan de structurele oorzaken van de ellende.