Ook op redacties van nieuwsmedia leidt de kwestie Israël-Gaza tot tweespalt
In dit artikel:
De berichtgeving over Gaza heeft sinds de Hamas-aanval van 7 oktober 2023 diepe verdeeldheid veroorzaakt op Nederlandse nieuwsredacties. Journalisten verschilden sterk van mening over bronkeuze, woordgebruik, de balans tussen Israëlische en Palestijnse perspectieven en het gebruik van de term genocide. De spanningen leidden onder meer tot felle interne discussies, begeleiding door psychologen, burn-outs en het vertrek van minstens twaalf journalisten.
Een gezamenlijk onderzoek van de auteurs en de Erasmus Universiteit Rotterdam analyseerde ruim 17.000 artikelen van NOS, NRC, de Volkskrant, De Telegraaf, NU.nl, Trouw en AD. Uit een representatieve steekproef van 3.000 koppen, intro’s en eerste alinea’s blijkt dat Israëlische bronnen 19 procent van alle aangehaalde bronnen vormden, tegenover 13 procent Palestijnse bronnen. Vooral na 7 oktober 2023 kregen Israëliërs vaker het woord. Alleen rond het staakt-het-vuren eind 2024 en begin 2025 waren Palestijnse bronnen talrijker. De verschillen tussen media waren groot: Trouw citeerde vaker Palestijnen dan Israëliërs, terwijl De Telegraaf Israëlische bronnen ongeveer twee keer zo vaak aanhaalde.
Ook de manier waarop bronnen werden gepresenteerd, verschilde. Bij Israëlische bronnen gebruikten journalisten drie keer vaker stellige formuleringen als ‘is’, ‘bewijst’ en ‘zeker’. Palestijnse uitspraken werden vaker ingeleid met woorden als ‘zou’, ‘lijkt’ en ‘mogelijk’. Bij berichten over geweld en leed werd Palestijnse informatie bovendien 2,5 keer vaker afgezwakt. Volgens de onderzoekers wijst dit erop dat Israëlische bronnen doorgaans als betrouwbaarder werden behandeld. De aandacht voor Palestijns leed nam daarbij nauwelijks toe toen het aantal doden sterk opliep.
Hoofdredacties erkennen grotendeels dat er een asymmetrie in brongebruik bestaat, maar wijzen vooral op de ontoegankelijkheid van Gaza en de betere beschikbaarheid van Israëlische institutionele bronnen. Media zeggen daarom extra te hebben ingezet op lokale journalisten, ooggetuigen, satellietbeelden, correspondenten in omringende landen en initiatieven zoals Trouw’s rubriek ‘Stem uit Gaza’. Zij stellen ook dat uitspraken uit Gaza moeilijker te verifiëren waren en daarom voorzichtiger werden geformuleerd.
Het woord ‘genocide’ bleef lange tijd grotendeels buiten de journalistieke berichtgeving. In de eerste maanden na de Hamas-aanval kwam het nauwelijks voor. Begin 2024 stond het in ongeveer 15 procent van de artikelen, meestal in opiniestukken of stukken over het debat rond de term. In de zomer en herfst van 2025 steeg dat aandeel tot ruim 20 procent, mede na rapporten van de VN en Amnesty International. Toch namen journalisten de term in de hele onderzoeksperiode meestal niet zelf voor hun rekening en verscheen hij vrijwel nooit in koppen of intro’s. Hoofdredacties noemen juridische zorgvuldigheid, de zware historische lading en de noodzaak van onderbouwing als redenen.
De interviews met bijna tachtig betrokken journalisten en eindredacteuren laten een duidelijke generatie- en kenniskloof zien. Oudere, vaak mannelijke journalisten waren meestal tevreden over de nadruk op balans, feiten en terughoudendheid. Jongere, vaker vrouwelijke en diversere collega’s vonden dat redacties aanvankelijk te weinig kritisch waren op Israël, Palestijnse stemmen onvoldoende ruimte gaven en soms een Israëlisch narratief overnamen. Zij benadrukten de journalistieke plicht om machthebbers ter verantwoording te roepen en mensen zonder toegang tot het publieke debat een stem te geven.
Voormalige medewerkers van onder meer de NOS, NRC en De Telegraaf noemen concrete conflicten over termen als ‘bloedbad’, ‘moordpartij’ en ‘pogrom’, en over de beschrijving van Palestijnse doden. Sommigen vertrokken omdat zij hun kritiek niet serieus besproken vonden. Omgekeerd zijn geen journalisten gevonden die opstapten omdat hun medium volgens hen te veel ruimte gaf aan het Palestijnse perspectief. Bij Trouw en De Telegraaf konden interne gesprekken de verdeeldheid volgens betrokkenen beter beheersbaar maken.
Deskundigen zien de onderzoeksuitkomsten als aanwijzing voor een structurele asymmetrie in het voordeel van Israël, maar waarschuwen dat dit niet automatisch bewijst dat redacties bewust een pro-Israëlische agenda voerden. Tijdsdruk, gebrek aan regiokennis, Israëlische overheidscommunicatie, druk van lezers en angst om van antisemitisme te worden beschuldigd speelden eveneens een rol. Veel journalisten zeggen dat hun aanvankelijke sympathie voor Israël in de loop van de oorlog afnam, vooral in het voorjaar van 2025 door de hongersnood, het verbreken van de wapenstilstand en groeiende deskundige kritiek. Of de berichtgeving daarna voldoende veranderde, blijft volgens onderzoekers afhankelijk van de journalistieke taakopvatting en het ontbreken van een objectieve maatstaf voor ‘evenwicht’.
Vandaag Inside: Lisette Wellens legt uit waarom ze na negen jaar vertrok bij Goedemorgen Nederland