Ook met een vuurwerkverbod laat ruigheid zich niet uitbannen
In dit artikel:
De Nederlandse vuurwerktraditie is per definitie explosief en moeilijk te beheersen: het zelf afsteken van siervuurwerk en het opstoken van vreugdevuren leveren juist de opwinding en ruigheid die veel mensen aantrekken. Ondanks jarenlang beleid van gemeenten en andere overheden — en een naderend totaalverbod — neemt de hoeveelheid en de heftigheid van het vuurwerk eerder toe dan af. Dit sluit aan bij een algemeen ritueelpatroon: iedere uitvoering moet de vorige overtreffen, waardoor spektakel, esthetiek en rivaliteit tussen buren en familie de consumptie en schaal van vuurwerk aanjagen.
De samenstelling van consumentenvuurwerk is in de 21e eeuw sterk veranderd: er is veel meer variatie en veel grotere producten te koop, zoals ‘cakes’ met honderden schoten, waardoor het huidige gebruik nauwelijks nog lijkt op dat van zestig, zeventig jaar geleden. Voorstanders beroepen zich op traditie en gemeenschapszin — het gezamenlijk afsteken bij de voordeur wordt gekoesterd en staat sinds ongeveer tien jaar ook op de nationale inventaris van immaterieel erfgoed.
Vuurwerkliefhebbers maken een onderscheid tussen hun vertrouwde praktijk en de ‘asociale onruststokers’ die met zwaar en illegaal materiaal de nacht verstoren; zij betwijfelen of een totaalverbod die groep zal tegenhouden, temeer daar hardere vormen van vuurwerk sinds 1980 al verboden zijn. Het probleem is breder: veel volksrituelen vertonen een onweerstaanbare neiging tot ongecontroleerde ruigheid (denk aan kermissen, carnaval of paasvuren), die zich moeilijk laat reguleren. De verwachting is dat ook het aantal en de diversiteit van vreugdevuren de komende jaren zullen stijgen — zowel illegaal als gedoogd of georganiseerd — waarna ook die praktijken opnieuw onderwerp van maatschappelijke kritiek en reguleringsdrift kunnen worden.