Ook de jongste nazaten van Nederlands koloniale verleden willen weten wat er in de Oost en in de West gebeurd is
In dit artikel:
Steeds vaker wordt erkend dat ook Molukse, Indische Nederlanders en Surinaamse inheemse groepen deel uitmaken van het Nederlandse slavernij- en koloniale verleden. In het artikel beschrijven uiteenlopende persoonlijke verhalen, lokale herdenkingen en nieuwe initiatieven hoe deze gemeenschappen zich dit verleden eigen maken — of er nog steeds mee worstelen.
In Kamp Vught bijvoorbeeld nam een reeks dialoogtafels, georganiseerd door Stichting Pelita, mensen mee in ritueel eten, muziek en gesprek over kolonialisme en slavernij. Voor Molukse deelnemers als Esther‑Clair Sasabone is die geschiedenis dubbelzinnig: haar familie kwam in 1951 als KNIL-militairen naar Nederland en leed aan verlies van status en trauma’s, waardoor het oudere familieverhaal vaak niet thuis werd besproken. Pas later — via archieven, digitale passagierslijsten en werk in het Moluks Museum — ontstond meer inzicht en langzaam aandacht voor mogelijke verbinding met het slavernijverleden. Dichter en museumdocent Djé‑Rimo Holle illustreert hoe jongere generaties wél de link leggen: via protesten, spoken word en dekoloniale discussies ontdekte hij de rol van Nederlandse geweldsmisdrijven op Banda (Coen, 1621) en de systematiek van de Nederlandse plantage-economie.
In het Rijksmuseum kwamen Indische Nederlanders bijeen rond soortgelijke dialoogtafels. Patty Watson ontdekte dat haar familiecomplexiteit — een voorvader met bedienden, een overgrootmoeder die al jong kinderen kreeg in dienstverband — vragen oproept over uitbuiting, keuzevrijheid en het verzwijgen van de eigen Indonesische kant. Pelita‑directeur Bonnie Joosten benadrukt dat in de Indische gemeenschap het beeld vaak niet eenduidig is: voorouders waren niet enkel slachtoffers; sommige mensen behoorden tot gezags- of bezitlagen binnen het koloniale systeem. Dat maakt erfgoedverwerking pijnlijk en taboe, maar juist daarvoor zijn veilige dialogen nodig.
Voor Surinaamse inheemsen (de ‘rode slavernij’) is het bewustzijn eveneens in opkomst. Diana Vlet en anderen organiseerden op 10 januari — herdenkingsdatum gekozen vanwege het vredesverdrag van 1686 — bijeenkomsten in het Nationaal Archief en pleiten dat deze verdrongen hoofdstukken zichtbaar krijgen in nationale representatie, zoals het toekomstige Nationaal Slavernijmuseum (opening gepland 2030). De Surinaamse historicus Agir Axwijk legt uit dat Kaliña- en Lokono-groepen vanaf de vroege koloniale fase een beslissende rol speelden: Europese kolonisatoren sloten handelsovereenkomsten en maakten gebruik van lokale verhoudingen, waardoor gevangenneming en verkoop ook onder inheemse groepen plaatsvond. De geschiedenis is daardoor complexer dan het simpele beeld van witte kolonisten versus weerloze inheemsen.
Kleine gemeenschappen en minder bekende verhalen krijgen ook aandacht: Lauren Tomasouw reconstrueerde als student de geschiedenis van Toegoenezen die via VOC-rekrutering, vestiging op Java, later verblijf in Nieuw-Guinea en uiteindelijk Suriname en Nederland werden geleid — een keten die illustreert hoe slavernij, migratie en koloniale machtsverhoudingen regio’s en families verbindt.
Terugkerende thema’s zijn stilte en generatieverschil: veel families zwegen over het koloniaal verleden, waardoor jongere generaties pas door externen — musea, activisme, onderwijs en digitale archieven — gereedschap krijgen om hun eigen verhaal te onderzoeken. Organisaties als Pelita organiseren rituele en veilige ruimtes om hierover te spreken; erfgoedinstellingen en het Nationaal Slavernijmuseum worden gezien als cruciale plekken om erkenning en historisch begrip te verankeren. Voormalig minister Franc Weerwind (voorzitter raad van toezicht van dat museum) benadrukt dat het nationale karakter van zo’n museum alleen bereikt wordt als ook Aziatische en inheemse slavernijverhalen gelijkwaardig worden meegenomen.
Kortom: er ontstaat langzaam maar zichtbaar eigenaarschap over uiteenlopende en vaak ingewikkelde koloniale geschiedenissen. Die erkenning vraagt niet alleen aandacht van instellingen en musea, maar ook van families zelf — om stilte te doorbreken, nuance te erkennen en ruimte te maken voor verhalen van zowel slachtofferschap als medeplichtigheid binnen koloniale systemen.