Onze kracht ligt niet in het christendom van de lege kerken

dinsdag, 13 januari 2026 (09:07) - Reformatorisch Dagblad

In dit artikel:

Een christelijke verantwoordelijkheid voor Europese cultuur begint niet met strategieën om gebouwen of tradities te bewaren, maar met de vraag wat christenen zelf verplicht zijn te doen. De auteur opent met een parabel over een monumentale kerk in een sterk geseculariseerde stad: sommige burgers willen het gebouw verwijderen, een stichting wil het als monument behouden en enkele gelovigen willen het blijven gebruiken voor eredienst. Die situatie illustreert het spagaat tussen christenen die het geloof willen behouden en cultuurchristenen die het christendom vooral willen behouden als drager van cultuur.

De kernvraag is of christenen en cultuurchristenen kunnen samenwerken om de Europese beschaving te beschermen. De schrijver stelt dat cultuur op zichzelf geen direct onderdeel is van Gods heilshistorie: het koninkrijk van God wordt niet volledig gerealiseerd in wereldse geschiedenis. Tegelijk wijst hij erop dat geschiedenis en culturen wel deel uitmaken van Gods voorzienigheid — een tijdelijke genadewil waarbij God de schepping en haar normen bewaart ondanks de zonde, en waardoor ook niet-gelovigen via het geweten door de Geest beïnvloed kunnen worden.

De afgelopen decennia tekent zich volgens de auteur een paradox af: grote zorg voor schepping versus een zorgeloosheid ten aanzien van de geestelijke en morele voorwaarden van de beschaving. Europese samenlevingen zouden zichzelf verwerpen: christelijke tradities worden afgewezen als exclusief, wetten rond leven, seksualiteit, gezin en identiteit worden experimenteler, en vrijheden zoals onderwijs en meningsuiting staan onder druk. Deze beschrijving sluit aan bij eerder geuite zorgen over het Avondland.

Theologisch legt de tekst uit dat de Heilige Geest ook buiten de kerk invloed heeft op het geweten van mensen, maar dat die werking variabel is en door cultuur, opvoeding en omstandigheden kan verzwakken. Waar de Geest zich terugtrekt raakt een samenleving verhard. De kerstening van Europa behoort volgens de auteur tot Gods voorzienigheid geweest te zijn, maar die vermenging van cultuur en geloof heeft ook geleid tot een cultuurchristendom dat grotendeels achter lege kerken schuilgaat.

Praktisch pleit de schrijver voor realistische betrokkenheid: de kerk is geen klooster maar een gemeenschap midden in de samenleving; gelovigen zijn tegelijk pelgrims en verantwoordelijke burgers die in een democratische rechtsstaat gedeelde zorg voor fundamentele rechtswaarden dragen. Cultuurchristenen kunnen bondgenoten zijn in het tegengaan van moreel verval, maar zij redden niet de kerken noch het geloof. De daadwerkelijke geloofskracht bepaalt zich volgens de auteur door de zuivere navolging van de waarden die men publiek verdedigt — eerst in eigen leven, gezin en kerk.

Als voorbeeld wordt Dietrich Bonhoeffer aangehaald: hij wilde de kerk zuiver houden, keerde terug naar Duitsland en werkte samen met gelovigen en niet-gelovigen in verzet tegen het naziregime om de rechtsorde te herstellen, zelfs met het dragen van zware morele verantwoordelijkheid. De praktische kern van zijn houding vat de auteur samen in drie richtlijnen: bidden, het goede doen en wachten op Gods tijd.

De tekst sluit af met de implicatie dat samenwerking mogelijk en soms noodzakelijk is, maar dat die samenwerking geen vrijbrief is om intern onzuiver te blijven; de kracht van een christelijke inzet voor cultuur ligt in de authenticiteit en navolging van het geloof zelf. De auteur is emeritus-predikant en werkte in Spanje.