Onderzoek naar gynaecologen die vrouwen met hun zaad bevruchtten: 'Dit was geen incident, dit was een patroon'

maandag, 9 maart 2026 (19:55) - NRC Handelsblad

In dit artikel:

In Arnhem blijkt gynaecoloog Alex Schmoutziguer in de jaren zeventig en tachtig in minstens zestien gevallen zijn eigen zaad te hebben gebruikt voor kunstmatige inseminatie in het Rijnstate-ziekenhuis, wanneer een ingeplande donor niet kwam opdagen. Die bevinding staat in Het incident voorbij, een rapport van hoogleraar Jan Kremer dat dinsdag verschijnt. Kremer baseerde zijn oordeel onder meer op gesprekken met de inmiddels 85‑jarige arts en andere betrokkenen.

De praktijk paste in een bredere tijdsgeest: doneren gebeurde destijds vrijwel altijd anoniem, er bestonden nauwelijks protocollen en ingevroren zaad was nog niet algemeen beschikbaar. De combinatie van een groeiende vraag naar donorzaad, het pionierskarakter van de fertiliteitszorg en het belang dat men destijds hechtte aan het vervullen van kinderwensen, leidde volgens Kremer tot handelwijzen die nu onaanvaardbaar worden gevonden. Uit onderzoek blijkt dat minstens acht gynaecologen in die periode hun eigen zaad hebben gebruikt; gezien het totale aantal gynaecologen toen (ongeveer veertig tot vijftig) noemt Kremer dit geen geïsoleerd incident maar een patroon.

Rijnstate staat niet voor het eerst in de belangstelling: al in 2015 kwamen administratieve fouten en overschrijdingen van het maximaal aantal nakomelingen per donor aan het licht, en eind 2025 schikte het ziekenhuis een zaak waarbij zaadcellen bestemd voor een ivf-traject opnieuw waren gebruikt. In het huidige onderzoek werkte Schmoutziguer mee – hij voerde gesprekken en leverde informatie en recent dna aan bij databank Fiom – maar was niet aanwezig bij de presentatie van het rapport en legt niet volledig open over het totaal aantal verwekte kinderen van zijn hand.

De gevolgen raken duizenden mensen: donorkinderen die in die periode zijn geboren zijn nu vaak in de veertig en worstelen met identiteitsvragen over herkomst en familiebanden. Sommige zijn dankbaar dat ze bestaan, andere voelen zich beroofd van kennis over hun afstamming. Kremer waarschuwt dat het aantal donorkinderen in Nederland mogelijk in de tienduizenden tot honderdduizenden loopt, en dat veel van hen existentiële vragen hebben die onopgelost blijven.

Kremer doet stevige aanbevelingen: hij vindt dat de minister formeel moet reflecteren en verantwoordelijkheid nemen, vergelijkbaar met de erkenning die door de politiek is bepleit voor andere historische misstanden zoals de afstandsmoeders. Ook roept hij gynaecologen die destijds werkten op om dna te deponeren bij Fiom; idealiter zouden ook anonieme donoren hun dna beschikbaar moeten stellen. Hij voorziet dat er waarschijnlijk nog meer gevallen boven water zullen komen.

Daarnaast waarschuwt het rapport voor hedendaagse risico’s: veel Nederlands gebruikte donorzaad komt uit Denemarken, wat kan leiden tot honderden halfbroers en -zussen wereldwijd die elkaar niet kennen. Juridisch mogen Nederlandse klinieken geen anoniem donorzaad gebruiken; donorkinderen kunnen op 18-jarige leeftijd de naam van een donor opvragen, maar die donor is niet verplicht contact te accepteren en informatie over eventuele halfbroers/zussen wordt niet automatisch gedeeld.

Tot slot signaleert Kremer een veranderde houding bij Rijnstate: het bestuur reageert nu opener dan vroeger, maar hij pleit voor een bredere maatschappelijke afrekening met dit verleden en voor concrete maatregelen om donorkinderen beter te erkennen en te helpen.