Om een minderheidsregering succesvol te laten zijn, moeten we kijken naar Denemarken en Zweden
In dit artikel:
Tom van der Meer en Claes de Vreese (30 januari 2026) zien de recente keuze van D66, VVD en CDA voor een echte minderheidsregering als een ingrijpende breuk in de Haagse traditie. De nieuwe coalitie (onder aanvoering van bewindspersonen als Rob Jetten, Dilan Yesilgöz en Henri Bontenbal) treedt aan zonder vooraf gegarandeerde steun in de Tweede Kamer. De auteurs gebruiken Denemarken en Zweden als inspiratiebronnen: die landen kennen al langer werkbare minderheidsconstructies, maar ook daar staan de gebruikelijke blokkenpolitiek en coalitievormen onder druk.
Waarom Nederland anders is
De Nederlandse politieke geschiedenis heeft nooit tot een strak tweebloksysteem geleid. Historisch speelden een sterke middenpartij en de onvolledige integratie van radicaal-rechtse stromingen een rol. Vanaf 2002 leidde dat tot een versplintering in minstens drie politieke verzamelingen, wat coalitievorming bemoeilijkt. Bovendien heeft Nederland een tweekamerstelsel en een parlamentaire cultuur met felle profilering en theatrale moties van wantrouwen — factoren die een minderheidsregering op papier riskanter maken. Toch bestaat er in de praktijk veel ervaring met minderheidssituaties: kabinetten konden in afgelopen jaren vaak niet rekenen op een Senaatsmeerderheid, en wisselende Kamermeerderheden waren soms effectief bij het realiseren van beleid.
Wat kunnen we leren van Denemarken en Zweden?
De Noordse voorbeelden laten zien dat minderheidsregeringen stabiel en effectief kunnen zijn, maar dat dit afhankelijk is van de spelregels en strategieën. De belangrijkste lessen en uitvoerbare opties die het artikel onderscheidt:
1) Vast akkoord met een gedoogpartner
Een coalitie kan solide steun vinden door een formeel of semi-formeel akkoord met één vaste externe partner (zoals de Rutte I‑constructie met PVV als gedoogpartner). Dit verzekert stabiliteit voor grote dossiers en de begroting in ruil voor langetermijnafspraken voor die partner. In de huidige formatie liggen relaties met mogelijke vaste partners (GroenLinks-PvdA, JA21) echter moeilijk, waardoor dit model minder haalbaar lijkt.
2) Deelafspraken en Deense forlig‑achtige overeenkomsten
Een regering kan zich beperken tot enkele prioriteiten die brede steun verwachten en daarnaast per beleidsterrein aparte langetermijnafspraken sluiten met verschillende oppositiepartijen. De Deense forlig‑vorm bindt partijen aan meerjarenakkoorden die het politieke landschap overstijgen en waarin Kamerfracties beleidsvelden niet mogen verknopen om tot blokkades te voorkomen. Dit werkt vooral wanneer voor grote dossiers wel brede Kamermeerderheden bestaan.
3) Sterkere parlementaire commissies
Nederlandse commissies zijn relatief zwak; versterken van hun taken, rechten en ambtelijke ondersteuning creëert plekken waar wisselende meerderheden op deelterreinen kunnen functioneren. Dat maakt samenwerking tussen regering en Kamer in de voorbereidende fase van wetsvoorstellen haalbaarder.
4) Strakker agendamanagement
In een minderheidsopstelling is vroegtijdig betrekken van andere partijen essentieel, maar de regering moet ook de rol van ‘final mover’ blijven vervullen om eindeloze wijzigingsgolven te voorkomen. Goede afstemming en discipline bij agendering kunnen voorkomen dat voorstellen op het laatste moment worden gekaapt — iets wat in recente jaren al eens misliep rond asielwetten.
Begrotingsproces als Achillespees
Het opstellen en aannemen van de begroting is een kritieke kwetsbaarheid. Andere landen hanteren normen waardoor ‘verantwoordelijke’ partijen uiteindelijk tot steun worden gebracht; onderhandelingen verlopen vertrouwelijk en wensen van oppositie worden vaak gehonoreerd via tijdelijke fondsen in plaats van structurele uitgaven. Zo ontstaat ruimte voor kleine, concrete compromissen zonder begrotingsinfarct.
Wat vraagt dit van partijen en instituties?
Een minderheidsregering vereist gedragsverandering: coalitiepartijen zullen bescheidener moeten opereren, zich beperken tot enkele prioriteiten en bereid moeten zijn kamerinitiatieven serieus te betrekken. Selectie van ministers zou zwaarder op inhoud en coöperatief vermogen moeten wegen dan puur partijdiscipline. Oppositiepartijen winnen alleen als ze per dossier handelen en niet alles aan elkaar koppelen. Daarnaast liggen er institutionele voorstellen (drie werden genoemd in eerdere staatscommissie‑adviezen) die de lange termijn beter toerusten voor minderheidsconstructies, ook al zijn die niet snel in te voeren.
Slotbeschouwing
Een minderheidskabinet is geen wondermiddel, maar sluit aan op de Nederlandse traditie van schikken en plooien en kan het politieke debat verlevendigen zonder per se bestuurlijke effectiviteit op te offeren. Gezien langdurige beleidsuitval op dossiers als stikstof, energie en wonen, en de huidige internationale onzekerheden, biedt de nieuwe constructie een kans om vastgelopen dossiers weer in beweging te krijgen. Of het model duurzaam is, hangt af van bereidheid van regering, coalitie en oppositie om nieuwe spelregels te omarmen — kort gezegd: even uit de holle boom klauteren en het echt proberen.