Oliemarkten kunnen in een 'rode zone' terechtkomen als de Straat van Hormuz eind juni niet opengaat, zegt de IEA-baas
In dit artikel:
Fatih Birol, directeur van het Internationaal Energie Agentschap (IEA), waarschuwt dat de huidige situatie ondanks een ogenschijnlijke rust in Europa toch deel uitmaakt van “de grootste energiecrisis ooit”. De directe aanleiding is de sluiting van de Straat van Hormuz als gevolg van de oorlog met Iran: daardoor valt naar schatting 14 miljoen vaten olie per dag weg en ontbreken ook cruciale grondstoffen zoals helium, kunstmest en bepaalde plastics. Als reactie hebben IEA-landen in maart gezamenlijk 400 miljoen vaten uit strategische voorraden vrijgegeven — de grootste vrijgave sinds 1974 — wat voor Nederland neerkwam op het vrijgeven van ongeveer 20 procent van de nationale olievoorraad.
De effecten zijn ongelijk verdeeld. Europa en de Verenigde Staten ervaren voorlopig geen acute brandstofschaarste: benzineprijzen zijn gedaald ten opzichte van piekniveaus, vluchten vertrekken nog grotendeels en grote tekorten zijn uitgebleven. Tegelijkertijd ligt de situatie in delen van Azië al op scherp. Landen als Bangladesh, Pakistan en Nepal kennen energierantsoenen; in India kampen huishoudens met een gebrek aan LPG voor koken en fabrieken draaien minder uren. Birol benadrukt dat teruglopende vraag in Azië de internationale krapte enigszins heeft verlicht en de olieprijs van een piek rond 125 dollar in april naar ongeveer 90 dollar heeft gebracht, maar de prijs blijft 35–40 procent hoger dan voor de conflictuitbraak.
Europa ondervindt specifieke knelpunten, bijvoorbeeld in de kerosinevoorziening: voor de oorlog kwam circa 75 procent van Europese kerosine uit het Midden-Oosten, en dat aanbod moest snel worden vervangen via invoer uit landen als Nigeria en de VS, terwijl luchtvaartmaatschappijen ook vluchten schrapten. Birol waarschuwt dat, als de Straat van Hormuz niet snel heropent, de markten tegen eind juni in een “rode zone” kunnen belanden omdat strategische voorraden dagelijks worden aangesproken en het aanbod steeds krapper wordt, juist wanneer zomerreizen de vraag opvoeren.
Beleidsmatig pleit het IEA voor twee parallelle lijnen: op korte termijn het verstandig beheer van strategische voorraden en energiebesparing; op middellange en lange termijn versnelling van elektrificatie en eigen hernieuwbare productie. Birol stelt dat Europa structurele fouten heeft gemaakt: te afhankelijk van Russische fossiele brandstoffen, een terugtrekking uit kernenergie en het laten liggen van vroegtijdige investeringen in zonneproductie—waardoor China de productie en toeleveringsketen domineert. Zijn advies aan Nederlandse politici (onder wie premier Rob Jetten) is praktisch: investeer fors in het elektriciteitsnet zodat vergroening en elektrificatie mogelijk zijn, zet in op hernieuwbare opwekking en nucleaire projecten, en diversifieer leveranciers (bijv. Noorwegen, Canada) om niet opnieuw te sterk van één bron afhankelijk te worden.
Birol geeft aan dat de vrijgegeven strategische voorraden en extra productie (VS +1 miljoen vaten/dag, enkele andere landen enkele honderdduizenden) de pijn verlichten maar niet oplossen — de vrijgave komt neer op ongeveer 2,5 miljoen vaten per dag en is meer een tijdelijke verlichting dan een structurele remedie. Hij maakt zich ook zorgen over de maatschappelijke en politieke consequenties van dure energie: hogere brandstofprijzen en stijgende kosten voor landbouwkunstmest en diesel kunnen sociale onrust en politieke spanningen voeden, zeker met verkiezingen in aantocht in diverse Europese landen.
Kort samengevat: Europa lijkt voorlopig de ergste directe tekorten te ontlopen, maar blijft kwetsbaar. De IEA-directeur dringt aan op energiebesparing, versnelling van de transitie naar elektriciteit uit hernieuwbare bronnen en versterking van het net en de leveringsdiversiteit, om een herhaling van de huidige kwetsbaarheid in de toekomst te voorkomen.