Wereldwijde oliepaniek kent verliezers én winnaars
In dit artikel:
Maandag brak de olieprijs voor het eerst in jaren door de grens van 100 dollar per vat; na een korte daling toen president Trump zei dat de oorlog in het Midden-Oosten "zo goed als voorbij is", blijft olie echter fors duurder dan enkele weken geleden. De stijging toont hoe direct het conflict de energiemarkt raakt: korte termijn pompprijzen stijgen, maar de geopolitieke gevolgen kunnen veel groter zijn, aldus geo-economisch analist Michel Don Michaloliákos.
De hoofdrolspeler in de verstoring is de Straat van Hormuz. Een groot deel van de wereldwijde olie- en gasdoorvoer gaat normaal via die zeestraat bij Iran; blokkades en gerichte aanvallen maken dat vervoer moeilijk of onmogelijk. Annet Koster van de Nederlandse redersvereniging zegt: "De facto komt het op een afsluiting neer." Door de afvoerbeperkingen lopen opslagfaciliteiten in producerende landen snel vol — Irak kan bijvoorbeeld maar voor enkele dagen productieverlies in depots opvangen — waardoor productie stilvalt.
Daarnaast vallen er doelbewuste aanvallen op depots en installaties: Israël zou voorraad in Iran in brand hebben gestoken, Iran schakelde een Qatarese vloeibaargasfaciliteit uit en in Saudi-Arabië werd 's werelds grootste olieproductiefaciliteit geraakt. Hoewel grote producenten en strategische voorraden, plus het vermogen van landen als de VS, Brazilië, Guyana en Venezuela om productie op te schalen, dit niet meteen tot een totale tekortencrisis hoeven te laten leiden, wijzen analisten op grenzen aan die compensatie. Als de situatie een maand aanhoudt, waarschuwt Michaloliákos, kan de wereldwijde leveringszekerheid wankelen.
Economisch betekent dat hogere brandstofkosten en bredere inflatiedruk: materialen en producten die olie gebruiken of ervan afgeleide grondstoffen vereisen, worden duurder; op langere termijn verhoogt dat ook de kosten van alternatieven. Tegelijkertijd is de economie minder gevoelig voor olieprijschokken dan in 1973, doordat verduurzaming en efficiëntie het oliegebruik hebben verlaagd.
Wie wint en verliest? Amerikaanse olie- en gasbedrijven profiteren doordat de VS veel exporteert en minder last heeft van productieverstoringen; Iran lijdt zwaar omdat olie-inkomsten cruciaal zijn om de oorlog te financieren. China — een grote afnemer van Iraanse olie — kan eveneens last krijgen als Irans productie uitvalt. Europa en Nederland hebben aanzienlijke reserves, met Rotterdam als belangrijk opslag- en raffinagecentrum, maar zijn niet immuun.
De belangrijkste les volgens econoom Mathijs Bouman: Europa en Nederland moeten versneld minder afhankelijk worden van fossiele brandstoffen, omdat de geopolitieke kosten van import en kwetsbaarheid op lange termijn hoger zijn dan de investeringen die een versnelde energietransitie vergen.