Van 13 naar 30 graden in ruim een week: natuur moet zich snel aanpassen
In dit artikel:
In mei wisselen temperatuur en weersomstandigheden sterk in Nederland: begin maand lagen veel plekken rond de 20°C, Hemelvaartsdag was met 11–13°C de koudste in twaalf jaar, en vlak voor Pinksteren werd lokaal bijna 30°C gemeten. Ecologen en klimaathistorici van onder meer de Universiteit Utrecht en de VU wijzen erop dat zulke lentefluctuaties op zich niet ongewoon zijn, en dat sommige vroege planten (zoals krokussen) tegen late vorst kunnen.
Kortetermijnschommelingen zijn echter lastig voor veel soorten en voor de landbouw. Uitgedroogde grond neemt na een droogte plotselinge neerslag slecht op, en verstoringen van zaaikalenders kunnen oogsten schaden. Verschillende groepen organismen passen zich niet gelijkmatig aan, wat leidt tot mismatches tussen bloei, beschikbaarheid van insecten en het voedselaanbod voor vogels en hun jongen.
Vogels hebben baat bij gematigde omstandigheden; ze kunnen niet zweten en regelen hun temperatuur via snavel, poten en gedrag. Bij onverwachte warmte zijn vooral jonge vogels kwetsbaar: volgens de Vogelbescherming is “het goed mogelijk dat we de komende dagen versufte vogels met hun snavel open zien hijgen.”
De experts koppelen deze toegenomen grilligheid aan klimaatverandering: extremen volgen vaker en kunnen elkaar versterken (bijvoorbeeld een periodieke droogte gevolgd door extreme regen), waardoor ecosystemen meerdere klappen krijgen en soorten onder druk komen te staan, verplaatsen of verdwijnen. Tegelijkertijd verschuiven teeltmogelijkheden — denk aan wijndruiven in zuid-Noorwegen of pistachenoten in delen van Spanje — wat laat zien dat gevolgen en noodzakelijke aanpassingen regionaal verschillen.