NU+ | Renée moest op haar 19e haar baby afstaan: 'Ik mocht hem één keer zien'
In dit artikel:
Renée de Bode (78) draagt nog dagelijks het verdriet mee van een keuze die haar in de vorige eeuw werd opgelegd: op haar negentiende moest ze haar pasgeboren zoon afstaan. Ze vertelt dat de jaren vijftig en zestig er bij uitstek om draaiden de schijn van het perfecte gezin te bewaren; ongehuwde dochters werden beschaamd en weggehouden. Toen ze op haar achttiende zwanger raakte van haar getrouwde baas, verbood haar moeder haar het kind te houden. Een illegale abortuspoging mislukte; uit angst voor ontdekking verhuisde ze naar haar zus en beviel daar van een zoontje dat ze aanvankelijk in gedachten Tommie noemde.
Direct na de bevalling werd het kindje tussen haar benen weggenomen, ze zag hem niet meer; verpleegkundigen vertelden anderen zelfs dat het om een doodgeboren kind ging. De Bode lag tien dagen in het ziekenhuis en ontving geen psychologische hulp. De Raad voor de Kinderbescherming regelde de adoptie, maar hield zich volgens haar niet met haar welzijn bezig en zou hulpverleners hebben geadviseerd haar met rust te laten — een opvatting die ze later in haar adoptiedossier las. De directeur-geneesheer liet haar vlak voor het vertrek van haar zoon nog eenmaal vasthouden; die herinnering is blijvend en pijnlijk, maar compenseert de verloren jaren niet.
Gedurende 36 jaar zweeg ze over wat haar was overkomen, ook nadat ze trouwde en drie zoons kreeg; na elke bevalling zakte ze in een depressie. Pas in 2003 brak de stilte toen haar oudste — inmiddels Erik genoemd — contact zocht via een brief van de Kinderbescherming. Na veel twijfel won de moederliefde het van de schaamte en langzaam ontstond er een band, al kon die de jaren die ze miste niet ongedaan maken. Met therapie leert ze dat ze zich niet hoeft te schamen, maar het gemis blijft voelbaar: het idee dat je een kind “verloren” hebt, blijft haar emotioneel raken.
Nationaal gezien raakten sinds de legalisering van adoptie in 1965 tot het einde van de jaren zeventig naar schatting 13.000–17.000 vrouwen gedwongen hun kind kwijt. Het kabinet biedt excuses aan deze zogenoemde afstandsmoeders, maar veel betrokkenen vinden dat dit niet voldoende is: zij willen ook verontschuldigingen van kerken, de Raad voor de Kinderbescherming, psychologen en organisaties zoals het vroegere FIOM. De Bode verlangt persoonlijk erkenning van de Raad; die zegt betrokken te zijn bij de kabinetsexcuses, maar heeft nog niet besloten of zij zelf excuses zullen aanbieden.