Nu kabinet op het matje komt, blikt coronapersoneel terug: 'Het was onmenselijk'
In dit artikel:
Deze week begint de parlementaire enquêtecommissie corona met het verhoren van centrale spelers uit de crisisperiode, zoals Jaap van Dissel, Mark Rutte en Hugo de Jonge. De commissie evalueert het kabinetsbeleid; twee direct betrokkenen uit de zorg schetsen in dit artikel waarom veel mensen vinden dat de oudere- en uitvaartzorg in die beoordeling niet genoeg aandacht krijgen.
Joes Meens (67), voormalig specialist ouderengeneeskunde in verpleeghuizen in Nieuwegein, beschrijft de eerste maanden van de pandemie als chaotisch en emotioneel verwoestend. Bewoners kregen een bezoekverbod, alleen bij naderend einde mocht één familielid in een beschermende ‘maanpak’-outfit afscheid nemen. Mensen met dementie raakten daardoor vaak erg ontdaan; volgens Meens zag hij bewoners letterlijk sterven door eenzaamheid. Door de enorme sterfte en tekorten aan beschermingsmiddelen en tests liep de werkdruk hijgend hoog op. Meens zegt dat verpleeghuizen te lang buiten beeld bleven omdat testcapaciteit en beleidsaandacht aanvankelijk naar ziekenhuizen gingen; pas nadat ICT-bedrijven patiëntendossiers analyseerden, werd in april duidelijk hoe groot de ramp in verpleeghuizen was. Zijn team stapte uiteindelijk over op wat hij “burgerlijke ongehoorzaamheid” noemt: onder strikte voorwaarden werd beperkt bezoek weer mogelijk — een maatregel die binnen weken landelijk werd overgenomen. De nasleep had persoonlijke gevolgen: Meens kreeg nachtmerries en een burn-out en is inmiddels met pensioen.
Uitvaartondernemer Jos Buitelaar (58) bevestigt dat ook de rouwzorg grotendeels buiten de beleidsprioriteiten viel. Hij werkte lange dagen met veel overledenen, had tekorten aan wegwerpbescherming en moest vaak harde keuzes handhaven: besmette familieleden mochten soms niet bij een uitvaart zijn, wat tot schrijnende situaties leidde. Soms werden creatieve oplossingen gevonden, zoals buitenstoelen bij een open schuifpui met een draagbare microfoon, zodat besmette naasten toch konden spreken. Buitelaar liep ook tegen maatschappelijke weerstand en regelweigerende bezoekers aan en probeerde regels pragmatisch te laten werken om escalatie te voorkomen. Zijn conclusie: uitvaart- en rouwzorg werden niet als essentieel erkend, terwijl de emotionele schade voor nabestaanden groot was.
Beide getuigen illustreren hoe de focus op ziekenhuizen en het ontbreken van vroege, gerichte steun en beschermingsmiddelen voor verpleeghuizen en uitvaartzorg heeft geleid tot menselijk leed, overbelasting van professionals en beleidsvragen die de parlementaire enquête nu moet onderzoeken.