NSC agendeerde morele vragen die de rest van de politiek negeerde

dinsdag, 25 november 2025 (21:52) - Reformatorisch Dagblad

In dit artikel:

Het verdwijnen van Nieuw Sociaal Contract (NSC) is volgens de auteurs meer dan het verdwijnen van een partij: het betekent het wegvallen van een politiek geluid dat twijfel en morele terughoudendheid opnieuw op de agenda zette. Na de verkiezingen van 2021 leidde de bejubelde positie van Pieter Omtzigt — die drie maanden later uit de CDA stapte en twee jaar later NSC oprichtte — tot een partij die zich minder als traditioneel electoraal vehikel presenteerde en meer als een moreel appel op de politiek. De recente ineenstorting van NSC, na de val van kabinet-Schoof, Omtzigts burn-out en organisatorische implosie, laat die stem verdwijnen juist op een moment dat discussies over bestaanszekerheid, levenseinde en technologische innovatie weer urgent zijn.

De auteurs maken een scherp onderscheid tussen hoe NSC en D66 het begrip ‘bestaanszekerheid’ invullen. Waar NSC het begrip koppelde aan een sociaal en moreel weefsel dat leven beschermt, heeft D66 het volgens hen vernauwd tot autonomie: het individuele recht om over het eigen leven te beschikken. In het partijprogramma van D66 komt dat naar voren in pleidooien voor abortus als mensenrecht en verdere verruiming van euthanasie. Hartmann en Menkveld waarschuwen dat dergelijke juridische verankering van levensbeëindiging de maatschappelijke waardering van het leven kan uithollen en een moreel anker wegnemen.

NSC stelde geen dogma’s, maar ongemakkelijke vragen die andere partijen uit de weg gingen. Voorbeelden zijn de initiatiefnota van Rosanne Hertzberger over euthanasie bij psychisch lijden — die verbanden legde met tekortschietende GGZ, lange wachtlijsten en het individualiseren van lijden — en het rapport “Leven in het lab” van het Wetenschappelijk Bureau NSC, dat technologische ontwikkelingen zoals het kweken van embryo’s, genetische selectie en verlengde kweekduur onder pragmatische en ethische loep nam. Deze dossiers roepen volgens de auteurs fundamentele vragen op: wanneer wordt voortplanting productie, en wanneer verandert een embryo in louter een instrument?

De kritiek op NSC zelf wordt niet weggemoffeld: de partij kampte met organisatorische chaos en een moraliserende toon. Toch waren de thema’s die ze aansneed volgens de schrijvers treffend en noodzakelijk — thema’s die de rest van het politieke spectrum had gemarginaliseerd. NSC bracht terug wat gebrekte in een politiek die vaak technocratisch en efficiëntiedenken boven morele reflectie plaatste: de bereidheid te zeggen dat niet alles wat kan ook moet.

De auteurs sluiten met een ironische waarschuwing: onder een moderniserend bestuur, gericht op vergroening en digitalisering, verleggen zich ook de grenzen van wat menselijk is en wat maatschappelijk aanvaardbaar blijft. NSC heeft voorlopig geen podium meer in Den Haag, maar de morele vragen die het stelde blijven relevant en verdienen debat, zo betogen Frank Hartmann (filosoof, Northeastern University) en Coban Menkveld (theoloog en religiewetenschapper).